7
De Joodse Rol in de Ontwikkeling van het Amerikaanse Immigratiebeleid
Tegenwoordig,…lijken de immigranten – en vooral de Joodse immigranten – Amerikaanser dan [de WASP]. Zij zijn de gezichten en stemmen en gedachtegangen die ons het bekendst voorkomen, letterlijk een tweede natuur. [De WASP] is de rare snuiter, de vreemdeling, het fossiel. Geschrokken werpen we een blik op hem en we vragen onszelf af: “Waar is hij gebleven?” We kunnen hem ons herinneren: flets, evenwichtig, netjes gekleed, zeker van zichzelf. Wij zien hem als een buitenstaander, een provinciaal, een redelijk nobele soort die bezig is te verdwijnen… Hij is niet langer representatief en we hebben het tot op dit moment niet gemerkt. Niet echt, in ieder geval.
Sinds de Tweede Wereldoorlog is het Amerikaanse bewustzijn geleidelijk deels Joods geworden, misschien wel Joodser dan iets anders… De geletterde Amerikaanse geest is in zekere mate Joods gaan denken. Het werd hem aangeleerd en hij was ertoe bereid. Na de entertainers en de schrijvers kwamen de Joodse critici, politici, theologen. Critici en politici en theologen zijn beroepshalve vormers; ze vormen zienswijzen. (Walter Kerr 1968: D1, D3)
Immigratiebeleid is een paradigmatisch voorbeeld van belangenconflicten tussen etnische groepen, omdat immigratiebeleid bepalend is voor de toekomstige demografische samenstelling van een natie. Etnische groepen die niet in staat zijn om het immigratiebeleid in hun eigen belang te beïnvloeden zullen uiteindelijk worden verdrongen door groepen die daartoe wel in staat zijn. Immigratiebeleid is daarom van fundamenteel belang voor een evolutionist.
In dit hoofdstuk wordt het etnische conflict tussen Joden en niet-Joden op het gebied van immigratiebeleid behandeld. Immigratiebeleid is echter slechts één aspect van de conflicten tussen Joden en niet-Joden in de Verenigde Staten. De schermutselingen tussen Joden en de niet-Joodse machtsstructuur die aan het eind van de negentiende eeuw ontstonden, hadden altijd een sterke antisemitische ondertoon. Die strijd ging over kwesties zoals Joodse opwaartse mobiliteit, quota’s voor Joodse leerlingen op elitescholen die in de negentiende eeuw werden opgesteld en in de jaren twintig en dertig hun hoogtepunt bereikten, de anticommunistische kruistochten in het tijdperk na de Tweede Wereldoorlog, evenals de enorme bezorgdheid over de culturele invloed van de belangrijkste media. Die bezorgdheid kwam tot uiting in de geschriften van Henry Ford in de jaren twintig, laaide op tijdens de inquisitie in Hollywood ten tijde van McCarthy en duurt voort tot op de dag van vandaag (SAID: hoofdstuk 2). Antisemitisme speelde een rol in die kwesties, wat tevens blijkt uit het feit dat historici van het Jodendom (e.g., Sachar 1992: 620 ff) zich verplicht voelen om beschrijvingen van die gebeurtenissen op te nemen in hun werk. In hun ogen zijn die gebeurtenissen belangrijk voor de geschiedenis van de Joden in de Verenigde Staten. Ook de antisemitische uitspraken van veel niet-Joodse betrokkenen en de zelfbewuste opvattingen van Joodse betrokkenen en observanten wijzen op een antisemitische ondertoon.
De Joodse invloed op het Amerikaanse immigratiebeleid moet worden beschouwd als een aspect van een etnisch conflict. De Joodse rol in de beïnvloeding van het immigratiebeleid vertoonde bepaalde unieke eigenschappen, die de Joodse belangen onderscheidden van de belangen van andere groepen die welwillend tegenover een soepel immigratiebeleid stonden. Tijdens een groot deel van de periode van 1881 tot 1965, vloeide de Joodse steun voor een soepel immigratiebeleid gedeeltelijk voort uit het verlangen om een vrijplaats te creëren voor Joden die antisemitische vervolgingen in Europa en elders ontvluchtten. Antisemitische vervolgingen zijn een steeds terugkerend fenomeen in de westerse wereld geweest, vanaf de Russische pogroms van 1881 tot in het tijdperk na de Tweede Wereldoorlog in de Sovjet-Unie en Oost-Europa. Bijgevolg is vrije immigratie een actiepunt voor Joden geweest, omdat het, “om te overleven, vaak noodzakelijk was voor Joden om hun toevlucht te zoeken in andere landen” (Cohen 1972: 341). Vanuit dezelfde optiek hebben Joden consequent gepleit voor een internationalistische buitenlandse politiek, omdat “een internationaal gericht Amerika waarschijnlijk gevoeliger zou zijn voor de problemen van Joodse gemeenschappen in het buitenland” (p. 342).
Het is ook bewezen dat Joden – veel meer dan enige andere groep van Europese afstamming in de Verenigde Staten – een soepel immigratiebeleid beschouwden als een mechanisme om van de Verenigde Staten eerder een pluralistische dan een unitaire, homogene samenleving te maken (e.g., Cohen 1972). Pluralisme dient zowel interne (‘within-group’) als externe (‘between-group’) Joodse belangen. In een pluralistische samenleving is het voor Joden gerechtvaardigd om zich openlijk als een semi-cryptische groep te profileren en voor non-assimilatie te pleiten. Daarom dient pluralisme interne Joodse belangen. Howard Sachar (1992: 427) beschrijft de functie van pluralisme als volgt: “Pluralisme legitimeert het behoud van een minderheidscultuur temidden van de meerderheidscultuur van een gastsamenleving.” Zowel Neusner (1993) als Ellman (1987) suggereren dat de recente toename van etnisch bewustzijn in Joodse kringen is beïnvloed door die algemene ontwikkeling binnen de Amerikaanse samenleving, die cultureel pluralisme en etnocentrisme van minderheden rechtvaardigt. Die neiging naar openlijke in plaats van de semi-cryptische vormen die het Jodendom in de twintigste eeuw hebben gekenmerkt, is volgens velen essentieel voor het voortbestaan van het Jodendom (e.g., Abrams 1997; Dershowitz 1997; zie SAID: hoofdstuk 8). Liberaal jodendom, de minst openlijke religieuze stroming binnen het hedendaagse judaïsme, wordt geleidelijk traditioneler. Binnen de stroming wordt er een grotere nadruk gelegd op religieuze rituelen en probeert men gemengde huwelijken te voorkomen. Een recente conferentie van liberale rabbijnen benadrukte dat de opleving van traditionalisme deels het resultaat is van de toenemende legitimiteit van etnisch bewustzijn in het algemeen (Los Angeles Times 20 juni 1998: A26).
Etnisch en religieus pluralisme dient ook externe Joodse belangen, omdat Joden slechts één enkele etnische groep vormen temidden van vele andere. In die situatie delen de verschillende etnische en religieuze groepen de politieke en culturele invloed en wordt het moeilijker voor coherente groepen niet-Joden om zich te verenigen in hun verzet tegen het Jodendom. Door de geschiedenis heen waren grote antisemitische bewegingen geneigd te ontstaan in samenlevingen die, met uitzondering van de Joden, religieus of etnisch homogeen waren (zie SAID). Vergeleken met Europa, was het antisemitisme in de Verenigde Staten een relatief marginaal fenomeen. Dat was de reden dat “Joden niet opvielen als een afgezonderde groep van [religieuze] non-conformisten” (Higham 1984: 156). Alhoewel etnisch en cultureel pluralisme zeker geen garantie is om Joodse belangen veilig te stellen (zie hoofdstuk 8), is het wel zo dat Joden etnisch en religieus pluralistische maatschappijen in het verleden hebben beschouwd als samenlevingen die gunstiger zouden zijn voor Joden dan samenlevingen die werden gekenmerkt door etnische en religieuze homogeniteit onder niet-Joden.
In feite ligt de angst voor antisemitisme ten grondslag aan alle Joodse politieke en intellectuele activiteiten die in dit werk worden besproken. Svonkin (1997: 8 ff) toont aan dat een gevoel van “ongemak” en onveiligheid bezit nam van het Amerikaanse Jodendom in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, ook al was bewezen dat het Amerikaanse antisemitisme een marginaal verschijnsel was. Het directe resultaat daarvan was, dat “het belangrijkste doel van de Joodse interetnische organisaties [i.e. het AJCommittee, het AJCongress en de ADL] na 1945 was om de opkomst van een reactionaire, antisemitische massabeweging in de Verenigde Staten te voorkomen” (Svonkin 1997: 8).
In de jaren zeventig beschreef Isaacs (1974: 14 ff) in zijn werk het overheersende onveiligheidsgevoel van Amerikaanse Joden en hun overgevoeligheid voor alles wat als antisemitisch zou kunnen worden beschouwd. Toen Isaacs aan het begin van de jaren zeventig “bekende publieke figuren” interviewde over het onderwerp antisemitisme, vroeg Isaacs: “Denkt u dat het hier zou kunnen gebeuren?” “Het was nooit nodig om ‘het’ te definiëren. In vrijwel ieder geval was het antwoord bijna hetzelfde: ‘Als je ook maar iets van geschiedenis kent, moet je er niet van uit gaan dat het kan gebeuren, maar dat het waarschijnlijk zal gebeuren,’ of ‘Het is geen kwestie van als, maar van wanneer’” (p. 15). Volgens mij schrijft Isaacs de intensieve Joodse deelname in de politiek terecht toe aan die angst voor antisemitisme. Joodse activiteiten in de immigratiepolitiek zijn slechts één facet van een veelzijdige beweging, die erop is gericht de ontwikkeling van een antisemitische massabeweging in westerse samenlevingen te voorkomen. Andere onderdelen van die agenda worden hieronder kort behandeld.
Expliciete uitspraken van prominente Joodse sociale wetenschappers en politieke activisten tonen het verband aan tussen immigratiebeleid en de Joodse belangstelling voor cultureel pluralisme. In zijn recensie van Cultural Pluralism and the American Idea van Horace Kallen (1956) die werd gepubliceerd in Congress Weekly (gepubliceerd door het AJCongress), merkte Joseph L. Blau (1958: 15) op, dat “de visie van Kallen nodig is om de zaak van minderheidsgroepen en minderheidsculturen in deze natie zonder een permanente meerderheid te dienen” – een opmerking die impliceert dat Kallens ideologie van multiculturalisme in strijd is met de belangen van de etnische groep die de Verenigde Staten domineert. De bekende auteur en prominente zionist Maurice Samuel (1924: 215), wiens geschriften gedeeltelijk een negatieve reactie vormden op de immigratiewet van 1924, schreef: “Als de strijd tussen ons [i.e. Joden en niet-Joden] ooit boven het fysieke zal worden verheven, dan zullen jullie democratieën hun aanspraken op raciale, geestelijke en culturele homogeniteit binnen de staat moeten bijstellen. Maar het zou dom zijn om dat als een mogelijkheid te beschouwen, aangezien deze beschaving zich juist in de tegenovergestelde richting ontwikkelt. Er is een geleidelijke opgang naar de vereenzelviging van regering met ras, in plaats van met de politieke staat.”
Samuel betreurde de wet van 1924, omdat die zijn beeldvorming van de Verenigde Staten als een zuivere politieke entiteit zonder etnische implicaties aantastte.
We hebben in Amerika onlangs de herhaling gezien – in de bijzondere vorm die passend is voor dit land – van de kwade klucht waar we na eeuwenlange ervaringen nog niet aan gewend zijn. Als Amerika ook maar van enige betekenis was, dan kwam dat door de bijzondere poging om boven de ontwikkeling van onze huidige beschaving uit te stijgen – de vereenzelviging van ras met staat… Amerika was daarom de Nieuwe Wereld in dit opzicht – dat de staat uitsluitend een ideaal was en dat nationaliteit alleen identiek was aan aanvaarding van het ideaal. Maar nu lijkt het erop, dat het hele gezichtspunt verkeerd was, dat Amerika niet in staat was om zijn oorsprong te overstijgen en dat de schijn van een ideaal-nationalisme slechts een stadium was in de juiste ontwikkeling van de universele niet-Joodse geest… Vandaag, nu ras triomfeert over het ideaal, ontbloot het antisemitisme zijn slagtanden en wordt de harteloze weigering van het meest elementaire menselijke recht, namelijk dat op asiel, ook nog eens verergerd door een lafhartige belediging. We worden niet alleen uitgesloten, maar ons wordt in de onmiskenbare taal van de immigratiewetten ook nog verteld, dat we een “inferieur” volk zijn. Het land had niet de morele moed om zich standvastig tegen zijn kwade instincten te verzetten. Het bereidde zich voor door middel van zijn journalisten: Geruime tijd schetsten zij een belasterend beeld van de Jood. Toen het land eenmaal voldoende was bedwelmd door de populaire en “wetenschappelijke” toverdrankjes, beging het de daad. (p. 218-220)
We vinden een gelijkaardige mening terug bij de prominente Joodse sociale wetenschapper en etnische activist Earl Raab. Hij liet zich zeer positief uit over het feit dat door het Amerikaanse immigratiebeleid van na 1965 de etnische samenstelling van de Verenigde Staten ingrijpend is veranderd.148 Raab merkt op dat de Joodse gemeenschap een leidende rol heeft gespeeld bij het veranderen van het Amerikaanse immigratiebeleid, met als gevolg dat Noordwest-Europeanen hun voorkeurspositie hebben verloren (1993a: 17). Ook beweert hij dat “de toegenomen etnische heterogeniteit die het gevolg is van immigratie, het nog moeilijker heeft gemaakt voor een onverdraagzame politieke partij of massabeweging om zich te ontwikkelen” (1995: 91). Volgens Raab is die heterogeniteit een remmende factor voor het antisemitisme in de hedendaagse Verenigde Staten. Kleurrijker gezegd:
Het Census Bureau heeft onlangs gemeld dat ongeveer de helft van de Amerikaanse bevolking binnenkort niet-blank of niet-Europees zal zijn. En zij zullen allemaal Amerikaanse burgers zijn. We zijn het punt waarop een nazi-arische partij in dit land zal kunnen zegevieren gepasseerd.
Wij [Joden] hebben het Amerikaanse klimaat van verzet tegen onverdraagzaamheid al bijna een halve eeuw gevoed. Dat klimaat is nog niet volmaakt, maar dankzij het heterogene karakter van onze bevolking heeft dat tolerante klimaat de neiging onomkeerbaar te zijn – en het maakt onze grondwettelijke bezwaren tegen onverdraagzaamheid praktischer dan ooit. (Raab 1993b: 23)
Positieve houdingen ten opzichte van culturele diversiteit zijn ook verschenen in andere uitlatingen over immigratie door Joodse auteurs en leiders. Charles Silberman (1985: 350) merkt op dat “Amerikaanse Joden culturele tolerantie een warm hart toedragen. Dat komt door hun geloof – dat stevig is geworteld in de geschiedenis – dat Joden alleen veilig zijn in een maatschappij die ontvankelijk is voor een breed scala van houdingen en gedragingen en die een diversiteit van religieuze en etnische groepen accepteert. Dat geloof – en niet bijvoorbeeld de goedkeuring van homoseksualiteit – is de reden dat een overweldigende meerderheid van de Amerikaanse Joden ‘homorechten’ onderschrijft en een progressieve houding aanneemt in de meeste andere zogenaamde ‘sociale’ kwesties.”149
Vanuit diezelfde optiek verklaarde ook de directeur van het Washington Action Office van de Council of Jewish Federations – toen hij de voordelen van immigratie opsomde – dat immigratie “om diversiteit, culturele verrijking en economische kansen voor de immigranten draait” (in Forward 8 maart 1996: 5). In een krantenbericht waarin de Joodse betrokkenheid in de debatten rond de immigratiewetgeving van 1996 werd samengevat, stond: “Joodse groepen slaagden er niet in om een aantal voorwaarden te doden. Die voorwaarden weerspiegelen het soort van politiek opportunisme dat zij beschouwen als een directe aanval op het Amerikaanse pluralisme” (Detroit Jewish News 10 mei 1996).
Omdat een soepel immigratiebeleid van groot belang is voor Joden, is het niet verrassend dat vrije immigratie wordt gesteund binnen het hele Joodse politieke spectrum. We hebben gezien dat Sidney Hook, die samen met andere New York Intellectuals mag worden beschouwd als een intellectuele voorloper van het neoconservatisme, democratie gelijkstelde aan de gelijkheid van verschillen en aan de maximalisering van culturele diversiteit (zie hoofdstuk 6). Neoconservatieven zijn uitgesproken pleitbezorgers van een soepel immigratiebeleid geweest en er is zijn conflicten geweest tussen overwegend Joodse neoconservatieven en overwegend niet-Joodse paleoconservatieven over de immigratie van Derde Wereldbewoners naar de Verenigde Staten. De neoconservatieven Norman Podhoretz en Richard John Neuhaus reageerden erg negatief op een artikel van een paleoconservatief waarin stond dat dergelijke immigratie uiteindelijk zou leiden tot de overheersing van de Verenigde Staten door die immigranten (zie Judis 1990: 33). Andere voorbeelden zijn de neoconservatieven Julian Simon (1990) en Ben Wattenberg (1991), die allebei pleiten voor een zeer omvangrijke immigratie vanuit alle delen van de wereld, zodat de Verenigde Staten de eerste – zoals Wattenberg het noemt – “Universele Natie” zal worden. Fetzer (1996), die zich beroept op recente gegevens, geeft aan dat Joden veel welwillender tegenover immigratie naar de Verenigde Staten blijven staan dan enige andere etnische groep of religie.
Als algemeen punt van belang moet hier worden opgemerkt, dat de effectiviteit waarmee Joodse organisaties het Amerikaanse immigratiebeleid beïnvloeden is bevorderd door bijzondere eigenschappen van het Amerikaanse Jodendom. Die eigenschappen houden verband houden met het Jodendom als een strategie voor groepsevolutie. Een eigenschap die buitengewoon belangrijk is, is het IQ van de Amerikaanse Joden dat zich tenminste een standaarddeviatie boven het blanke gemiddelde bevindt (PTSDA: hoofdstuk 7). Een hoog IQ wordt geassocieerd met succes in een groot scala van activiteiten in hedendaagse samenlevingen en met name met rijkdom en sociale status (Herrnstein & Murray 1994). Neuringer (1971: 87) merkt op dat de Joodse invloed op het immigratiebeleid werd bevorderd door Joodse rijkdom, scholing en sociale status. Als gevolg van het economische succes en de politieke invloed van Joden, zijn Joodse organisaties in staat geweest om disproportioneel veel invloed uit te oefenen op het Amerikaanse immigratiebeleid. Zij konden dat doen, omdat Joden als groep zeer georganiseerd en zeer intelligent zijn, en omdat ze het politieke spel erg slim spelen. Ze zijn in staat geweest om bijzonder veel financiële, politieke en intellectuele middelen aan te wenden voor het nastreven van hun politieke doeleinden. Zo merkt ook Hollinger (1996: 19) op, dat Joden invloedrijker waren dan katholieken bij de afbraak van een homogene protestants-christelijke cultuur in de Verenigde Staten, vanwege hun grotere rijkdom, sociale status en technische vaardigheid in de intellectuele arena. Op het vlak van immigratiebeleid werd de belangrijkste Joodse activistische organisatie die het immigratiebeleid beïnvloedde, het AJCommittee, gekenmerkt door een “sterk leiderschap [met name Louis Marshall], interne cohesie, goedgefinancierde programma’s, verfijnde lobbytechnieken, goedgekozen niet-Joodse bondgenoten en een goede timing” (Goldstein 1990: 333). Goldberg (1996: 38-39) merkt op dat er in de Verenigde Staten momenteel ongeveer 300 nationale Joodse organisaties zijn, waarvan het gecombineerde budget wordt geschat op ongeveer zes miljard dollar – een som, zo schrijft Goldberg, die groter is dan het BNP van de helft van de leden van de Verenigde Naties.
De Joodse strijd om de Verenigde Staten te veranderen in een pluralistische samenleving werd uitgevochten op meerdere fronten. Naast een bespreking van politieke pogingen en lobbyactiviteiten die Joden ondernamen om het immigratiebeleid te beïnvloeden, zal ik ook aandacht schenken aan de Joodse inspanningen in de intellectueel-academische arena, op het vlak van verhoudingen tussen kerk en staat en bij de organisatie van Afro-Amerikanen als een politieke en culturele macht.
(1) Intellectueel-academische inspanningen. Hollinger (1996: 4) maakt melding van “de transformatie van de etnisch-religieuze demografie van het academische leven in Amerika door Joden” in de periode tussen 1930 en 1970. Hij schrijft tevens over de Joodse invloed op de secularisatie van de Amerikaanse samenleving en op de bevordering van een kosmopolitisch ideaal (p. 11). De Joodse invloed werd hoogstwaarschijnlijk beperkt door de strijd over de immigratiewetgeving in de jaren twintig. Hollinger merkt op dat de “invloed van de oude protestantse gevestigde orde voornamelijk voortduurde tot de jaren zestig, vanwege de immigratiewet van 1924: Als de massale immigratie van katholieken en Joden op het niveau van vóór 1924 was doorgegaan, zou de loop van de Amerikaanse geschiedenis op veel vlakken anders zijn geweest en men mag redelijkerwijs aannemen dat ook de verzwakking van de protestantse culturele hegemonie sneller zou zijn verlopen. Door de immigratiebeperking kreeg die hegemonie een nieuwe levenstermijn” (p. 22). Het is daarom aannemelijk dat de strijd over de immigratiewetgeving van 1881 tot 1965 van het allergrootste belang is geweest voor de vormgeving van de Amerikaanse cultuur aan het eind van de twintigste eeuw.
De ideologie dat de Verenigde Staten een etnisch en cultureel pluralistische samenleving zouden moeten zijn is hier van bijzonder belang. Sinds de dagen van Horace Kallen hebben Joodse intellectuelen altijd het voortouw genomen bij de ontwikkeling van modellen die de Verenigde Staten als een cultureel en etnisch pluralistische maatschappij presenteerden. Voor zichzelf combineerde Kallen zijn ideologie van een cultureel pluralisme met een diepe onderdompeling in Joodse geschiedenis en literatuur, een toewijding aan het zionisme en politieke activiteiten ten behoeve van Joden in Oost-Europa (Sachar 1992: 425 ff; Frommer 1978). Zijn pleidooi vormt daarom een goed voorbeeld van de opvatting dat cultureel pluralisme bijdraagt aan Joods cultureel separatisme en daardoor goed is voor de interne Joodse groepsbelangen.
Kallen (1915, 1924) ontwikkelde een “polycentrisch” ideaal voor de etnische verhoudingen in de Amerikaanse samenleving. Volgens Kallen werd etniciteit bepaald door de biologische eigenschappen van iemand. Dat houdt in dat Joden in staat zouden moeten zijn om een genetisch en cultureel coherente groep te blijven, ook al zijn ze betrokken bij de Amerikaanse democratische instellingen. Die opvatting dat de Verenigde Staten georganiseerd zouden moeten worden als een verzameling aparte etnisch-culturele groepen, werd vergezeld door een ideologie die inhield dat verhoudingen tussen groepen coöperatief en welwillend zouden zijn: “Kallen verhief zijn ogen boven het strijdgewoel om hem heen en zag een ideaal rijk waarin diversiteit en harmonie naast elkaar bestaan”(Higham 1984: 209). Op vergelijkbare wijze suggereerde de Duits-Joodse leider Moritz Lazarus in zijn verzet tegen de opvattingen van de Duitse intellectueel Heinrich von Treitschke, dat de voortdurende afzondering van diverse etnische groepen bijdroeg aan de rijkdom van de Duitse cultuur (Schorsch 1972: 63). Lazarus ontwikkelde ook de doctrine van dubbele loyaliteit, die een hoeksteen van de zionistische beweging werd. In 1862 had Moses Hess al de visie ontwikkeld, dat het Jodendom de wereld naar een tijdperk van universele harmonie zou leiden, waarin iedere etnische groep zijn afzonderlijke bestaan zou behouden, zonder dat bepaalde groepen afgebakende stukken land zouden beheersen (zie SAID: hoofdstuk 5).
Kallen schreef zijn boek in 1915 gedeeltelijk als een reactie op de ideeën van Edward A. Ross (1914). Ross was een darwinistische socioloog, die geloofde dat het bestaan van duidelijk afgebakende groepen zou leiden tot competitie om hulpbronnen tussen de verschillende groepen – een perspectief dat in hoge mate overeenkomt met de theorie en de gegevens die in SAID worden aangedragen. Highams commentaar is interessant, omdat het aantoont dat Kallens romantische visies van coëxistentie tussen groepen op grote schaal werden tegengesproken door de realiteit van competitie tussen groepen in zijn tijd. Het is inderdaad opmerkelijk dat Kallen een prominente leider was van het AJCongress. Tijdens de jaren twintig en dertig kwam het AJCongress op voor economische en politieke groepsrechten voor Joden in Oost-Europa, op een moment dat er wijdverbreide etnische spanningen en Jodenvervolgingen waren. Het AJCongress deed dat ondanks de angst dat veel van die rechten de heersende spanningen zouden verergeren. Het AJCongress eiste dat Joden proportionele politieke vertegenwoordiging zouden krijgen, evenals de mogelijkheid om hun eigen gemeenschappen te organiseren en een autonome Joodse nationale cultuur te behouden. In de verdragen met Oost-Europese landen en Turkije stond dat de staat wetten zou uitvaardigen in minderheidstalen en dat Joden het recht zouden hebben om op de sabbat te weigeren voor rechtbanken of andere openbare ambten te verschijnen (Frommer 1978: 162).
Kallens idee van cultureel pluralisme als een model voor de Verenigde Staten werd onder niet-Joodse intellectuelen gepopulariseerd door John Dewey (Higham 1984: 209), die op zijn beurt werd gesteund door Joodse intellectuelen: “Als afvallige congregationalisten als Dewey er niet door immigranten toe werden aangezet om de grenzen van zelfs de meest progressieve protestantse gevoeligheden te bestoken, werden Dewey en zijn soort krachtig aangemoedigd iets dergelijks te doen door de Joodse intellectuelen die ze ontmoetten in stedelijke academische en literaire kringen” (Hollinger 1996: 24). “Een macht in deze [cultuuroorlog van de jaren veertig] was een seculiere, steeds Joodser wordende, onmiskenbaar linkse intelligentsia, die haar wortels vooral had… in de academische takken filosofie en sociale wetenschappen… De drijvende kracht was de ouder wordende John Dewey zelf, die nog geregeld artikels schreef en toespraken gaf voor de goede zaak” (p. 160). (De redacteurs van Partisan Review, het belangrijkste tijdschrift van de New York Intellectuals, publiceerden werk van Dewey en noemden hem “Amerika’s leidende filosoof” [PR 13: 608, 1946]; een student van Dewey, de New York Intellectual Sidney Hook [1987: 82], was ook gul met lofprijzingen voor Dewey en noemde hem “de intellectuele leider van de progressieve gemeenschap in de Verenigde Staten” en “een soort van intellectuele tribuun van de progressieve doeleinden.”) Als de toonaangevende Amerikaanse secularist was Dewey de bondgenoot van een groep Joodse intellectuelen die zich verzetten tegen “specifiek christelijke formuleringen van de Amerikaanse democratie” (Hollinger 1996: 158). Dewey onderhield nauwe banden met de New York Intellectuals, van wie velen trotskist waren. Ook stond hij aan het hoofd van de Dewey Commissie die Trotski vrijsprak van de aanklachten die tegen hem waren ingebracht tijdens de processen van 1936 in Moskou. Deweys invloed op het grote publiek was zeer groot. Henry Commager beschreef Dewey als “de gids, de mentor en het geweten van het Amerikaanse volk; het is nauwelijks overdreven dat voor een hele generatie een kwestie niet was opgehelderd voordat Dewey had gesproken” (in Sandel 1996: 36). Dewey was de belangrijkste pleitbezorger voor “progressief onderwijs” en hij hielp bij de oprichting van de New School for Social Research en de American Civil Liberties Union – twee overwegend Joodse organisaties (Goldberg 1996: 46, 131). Dewey was een man wiens “gebrek aan aanwezigheid als schrijver, spreker of persoonlijkheid zijn aantrekkingskracht bij het volk tot iets mysterieus maakt” (Sandel 1996: 35). Net als een aantal andere niet-Joden die in dit werk worden besproken, vormde Dewey op die manier het publieke gezicht van een beweging die werd gedomineerd door Joodse intellectuelen.
De ideeën van Kallen hebben een grote invloed gehad op de manier waarop Joden hun eigen status in Amerika zien. Die invloed was al in 1915 merkbaar onder Amerikaanse zionisten zoals Louis D. Brandeis.150 Brandeis beschouwde de Verenigde Staten als een samenstelling van verschillende nationaliteiten, waarvan de vrije ontwikkeling “de Verenigde Staten spiritueel [zou] verrijken en het een democratie par excellence zou maken” (Gal 1989: 70). Die ideeën werden “een kenmerk van de hoofdstroom van het Amerikaanse zionisme, zowel van de seculiere variant, als van de religieuze” (Gal 1989: 70). Cultureel pluralisme was ook een kenmerk van de door Joden gedomineerde interetnische beweging na de Tweede Wereldoorlog. Die intellectuelen verwoordden die ideeën soms echter in termen van “eenheid in diversiteit” of “culturele democratie” in een poging om de bijbetekenis dat de Verenigde Staten letterlijk een federatie van verschillende nationale groepen zou moeten zijn weg te nemen. Het AJCongress pleitte wel voor een dergelijk federaal samenlevingsmodel in Oost-Europa en andere gebieden (Svonkin 1997: 22). Kallens denkbeelden hadden werkelijk invloed op alle ontwikkelde Joden:
Door het behoud van een minderheidscultuur temidden van een gastsamenleving van een meerderheid te legitimeren, diende het pluralisme als een intellectuele ankerplaats voor een ontwikkelde tweede Joodse generatie. Het pluralisme behield zijn coherentie ondanks de ontberingen van de Depressie en een opgeleefd antisemitisme en het verzaakte niet tijdens de meest volhardende gemeenschappelijke inspanningen. Het bleef staande ondanks de schok van het nazisme en de holocaust, totdat de opkomst van het zionisme in de jaren na de Tweede Wereldoorlog door het Amerikaanse Jodendom heen raasde met zijn eigen climactische verlossende heftigheid. (Sachar 1992: 427)
In 1948 gaf David Petegorsky, de uitvoerend directeur van het AJCongress, op de tweejaarlijkse conventie van zijn organisatie de volgende verklaring:
We zijn er heilig van overtuigd dat de overleving van het Joodse volk enerzijds zal afhangen van de Joodse staat in Palestina en anderzijds van het bestaan van een creatieve, bewuste en goed aangepaste Joodse gemeenschap in dit land. Zo’n creatieve gemeenschap kan alleen bestaan in het een progressieve en zichzelf ontplooiende democratische samenleving, die door haar instellingen en openbare beleid uiting geeft aan het concept van cultureel pluralisme. (In Svonkin 1997: 82; cursief in tekst)
Niet alleen de ideologie van etnisch en cultureel pluralisme leidde ertoe dat de Joodse opvattingen over immigratie uiteindelijk in de praktijk werden toegepast. Ook de intellectuele bewegingen die in hoofdstuk 2 tot en met 6 zijn besproken droegen bij aan het succes. Die bewegingen, en met name het werk van Franz Boas, leidden gezamenlijk tot een verval van het evolutionaire en het biologische denken in de academische wereld. De intellectuele zeitgeist van de jaren twintig werd mede bepaald door de evolutionaire theorieën over ras en etniciteit (Singerman 1986) en met name door de theorieën van Madison Grant. De opvattingen van Grant en anderen vonden echter maar weinig weerklank onder de restrictionisten tijdens de immigratiedebatten in het Congres (de restrictionisten gingen er veeleer vanuit dat het eerlijk was tegenover de groepen die al in de VS waren om de etnische status quo te handhaven; zie verder). In The Passing of the Great Race stelde Grant (1921) dat de Europeanen die Amerika hadden gekoloniseerd afstamden van het superieure noordse ras. Volgens Grant zou de immigratie van andere rassen het competentieniveau van de samenleving als geheel verlagen en een bedreiging vormen voor de democratische en republikeinse instellingen. De ideeën van Grant werden gepopulariseerd in de media ten tijde van de immigratiedebatten (zie Divine 1957: 12 ff) en dat leidde vaak tot negatieve commentaren in Joodse publicaties zoals The American Hebrew (e.g., 21 maart 1924: 554, 625).
Grant schreef een brief naar de commissie voor Immigratie en Naturalisatie van het Huis van Afgevaardigden. Daarin benadrukte hij het belangrijkste argument van de restrictionisten, namelijk dat het eerlijk was voor alle etnische groepen in de Verenigde Staten om voor de nieuwe immigratiewet uit te gaan van de volkstelling van 1890 en niet van die van 1910. Het gebruik van de telling van 1910 zou volgens Grant discriminerend zijn voor de “autochtone Amerikanen, wier voorouders al voor de onafhankelijkheid in dit land woonden.” In 1910 leefden er immers meer allochtonen in de VS dan in 1890. Hij pleitte ook voor quota’s voor immigranten uit staten op het westelijk halfrond, omdat die landen “in sommige gevallen zeer ongewenste immigranten voortbrachten. De Mexicanen die de Verenigde Staten binnenkomen zijn overwegend van Indiaanse afstamming en de recente intelligentietests hebben hun zeer lage intellectuele vermogen aangetoond. We hebben al teveel Mexicaanse immigranten in onze zuidwestelijke staten en hun toename moet worden gestopt.”151 Grant was ook bezorgd over het onvermogen van nieuwe immigranten om te assimileren. Naast zijn brief stuurde hij ook een redactioneel commentaar van de Chicago Tribune op. Daarin werd commentaar gegeven op de situatie in Hamtramck, Michigan. Volgens het stuk eisten nieuwe immigranten in dat stadje “Poolse heerschappij”, de verdrijving van niet-Polen en het gebruik van de Poolse taal door ambtenaren. Grant stelde ook dat verschillen in voortplantingscijfers zouden leiden tot de verdwijning van groepen die het huwelijk uitstelden en minder kinderen kregen – een opmerking die er op wijst dat de levensloopplanning (Rushton 1995) van etnische groepen onderling verschilt. Zijn woorden wijzen er op dat Grant zich zorgen maakte dat zijn eigen etnische groep als gevolg van immigratie zou worden vervangen door etnische groepen met een grotere natuurlijke aanwas. Zijn bezorgdheid over immigranten uit Mexico wordt weerspiegeld door recente gegevens, die aantonen dat adolescente vrouwen met een Mexicaanse achtergrond het hoogste geboortecijfer in de Verenigde Staten hebben en dat inwoners met een Mexicaanse achtergrond tegen 2040 de meerderheid zullen vormen in de staat Californië. In 1995 hadden vrouwen tussen de 15 en 19 jaar van Mexicaanse origine een geboortecijfer van 125 op 1000 vergeleken met 39 op 1000 voor niet-Latijns-Amerikaanse blanken en 99 op 1000 voor niet-Latijns-Amerikaanse zwarten. Het algemene geboortecijfer voor de drie groepen is 3,3 voor Latijns-Amerikaanse vrouwen, 2,2 voor niet-Latijns-Amerikaanse zwarte vrouwen en 1,8 voor niet-Latijns-Amerikaanse blanke vrouwen (Los Angeles Times 13 februari 1998: A1, A16). Bovendien hebben Latijns-Amerikaanse activisten een duidelijk geformuleerd beleid om de Verenigde Staten te “heroveren” door middel van immigratie en hoge geboortecijfers.152
In hoofdstuk 2 toonde ik aan dat Stephen Jay Gould en Leon Kamin een zwaar overdreven en grotendeels vals verslag hebben gegeven over de rol van de IQ-debatten van de jaren twintig bij de invoering van restrictieve immigratiewetgeving. Het is ook bijzonder gemakkelijk om teveel belang te hechten aan de rol van theorieën over de superioriteit van het noordse ras onder de restrictionisten in het Congres en onder de bevolking. Zoals Singerman (1986: 118-119) duidelijk maakt, hield slechts “een handvol schrijvers” zich bezig met “raciaal antisemitisme;” en “het Joodse ‘probleem’… was zelfs onder veelgepubliceerde auteurs als Madison Grant of T. Lothrop Stoddard slechts van ondergeschikt belang. Geen van de personen die [in de bespreking door Singerman] worden genoemd, kunnen worden beschouwd als professionele Jodentreiteraars of als propagandisten die continu tegen de Joden in binnen- en buitenland ageerden.” Zoals later zal blijken, speelden argumenten over noordse superioriteit een opmerkelijk kleine rol tijdens de immigratiedebatten in het Congres in de jaren twintig. Het meest gebruikelijke argument van de restrictionisten was dat het immigratiebeleid de belangen van alle etnische groepen die destijds in de VS leefden zou moeten weerspiegelen. Er is zelfs bewijs dat het noordse superioriteitsargument niet bijzonder populair was bij het publiek: Een lid van de Immigration Restriction League stelde in 1924 dat “het land de buik ietwat vol heeft van hoogdravend gedoe over noordse superioriteit” (in Samelson 1979: 136).
Het is niettemin waarschijnlijk dat de ommekeer in het immigratiebeleid die de immigratiewet van 1965 teweeg bracht, werd bevorderd door de afname van evolutionaire theorieën over ras en etniciteit. Higham (1984) merkt op dat de theorieën van Franz Boas over cultureel determinsime en het ondergeschikte belang van biologie het academische discours overheersten ten tijde van de eindoverwinning in 1965. Nadien speelden nationale origine en ras geen rol meer binnen het immigratiebeleid en konden mensen uit de hele wereld naar de VS emigreren. Het resultaat was dat “het onder intellectuelen modieus werd om zelfs het bestaan van blijvende etnische verschillen buiten beschouwing te laten. Daardoor verloren de gevoelens over ras onder de bevolking een krachtig ideologisch wapen” (Higham 1984: 58-59).
Joodse intellectuelen namen prominente posities in binnen de beweging die de racialistische ideeën van Grant en anderen probeerde te vernietigen (Degler 1991: 200). Zelfs tijdens de debatten die voorafgingen aan de immigratiewetten van 1921 en 1924, constateerden de restrictionisten dat ze door Joodse intellectuelen werden aangevallen. Prescott F. Hall, de secretaris van de Immigration Restriction League, schreef in 1918 aan Grant: “Wat ik graag zou willen... zijn de namen van een paar gerenommeerde antropologen die de ongelijkheid van de rassen onderschrijven... In het gelijkheidsdebat moet ik het constant opnemen tegen de Joden en ik hoopte dat u er (naast [Henry Fairfield] Osborn) terloops een paar zou kunnen noemen die ik ter ondersteuning zou kunnen citeren” (in Samelson 1975: 467).
Grant geloofde ook dat Joden zich inzetten in een campagne om rassenonderzoek in diskrediet te brengen. In de inleiding van de editie van The Passing of the Great Race van 1921, klaagde Grant dat “het nagenoeg onmogelijk is om in Amerikaanse kranten enige reflectie te publiceren over bepaalde rassen en religies, die reeds overgevoelig reageren als ze alleen al bij naam worden genoemd. Het onderliggende idee lijkt te zijn dat als de publicatie kan worden onderdrukt, dat dan ook de feiten zelf uiteindelijk zullen verdwijnen. In het buitenland zijn de omstandigheden net zo slecht en we hebben de verklaring van een van de meest eminente antropologen in Frankrijk. Hij verklaart dat het verzamelen van antropologische metingen en gegevens van Franse rekruten bij het uitbreken van de Grote Oorlog werd voorkomen door Joodse bemoeienis. De tussenkomst van de Joden was er op gericht om aanwijzingen voor raciale verschillen in Frankrijk te onderdrukken” (p. xxxii-xxxiii).
Boas werd in grote mate gemotiveerd door de immigratiekwestie zoals die aan het begin van de twintigste eeuw speelde. Carl Degler (1991: 74) merkt op dat Boas’ professionele correspondentie “onthult dat Boas de diversiteit van bevolking van Verenigde Staten wilde behouden. Die houding was een belangrijk motief voor zijn beroemde schedelmetingproject van 1910.” De resultaten van de studie werden tijdens het debat over immigratiebeperking opgenomen in de transcriptie, het zogenaamde Congressional Record, door afgevaardigde Emmanuel Celler (Cong. Rec. 8 april 1924: 5915-5916). Boas stelde vast dat de schedelomvang van immigrantenkinderen verschilde van die van hun ouders en dat kwam volgens hem omdat ze in een andere omgeving waren opgegroeid. (Destijds was de maat van het hoofd, die werd aangegeven door de zogenaamde “schedelindex”, het belangrijkste meetpunt dat wetenschappers gebruikten bij hun onderzoek naar raciale verschillen.) Boas beweerde dat zijn onderzoek had aangetoond, dat alle groepen van vreemde origine die in goede sociale omstandigheden leefden zich aan de Verenigde Staten hadden aangepast, omdat hun lichamelijke afmetingen overeenkwamen met het Amerikaanse type. Alhoewel hij aanzienlijk voorzichtiger uitliet over zijn bevindingen in de kern van zijn verslag (zie ook Stocking 1968: 178), schreef Boas (1911: 5) in zijn conclusie dat “alle angst voor een ongewenste invloed van immigratie uit Zuid-Europa op ons volkslichaam van de hand zou moeten worden gewezen.” In één van zijn verklaringen voor de mentale verschillen tussen de kinderen van autochtonen en van immigranten, liet Boas zijn toewijding aan vrije immigratie doorschemeren. Degler geeft op die verklaring het volgende commentaar: “Het is moeilijk te begrijpen waarom Boas ervoor koos een dergelijke adhoc interpretatie naar voren te brengen, totdat men zijn verlangen naar een positieve uitleg voor de ogenschijnlijke mentale achterlijkheid van de immigrantenkinderen erkent” (p. 75).
De ideologie van raciale gelijkheid was een belangrijk wapen om de grenzen te openen voor groepen mensen uit de hele wereld. In 1951 bijvoorbeeld, verklaarde het AJCongress in een verklaring voor het Congres dat “[D]e bevindingen van de wetenschap zelfs de meest bevooroordeelde mensen onder ons doet aanvaarden dat intelligentie, moraliteit en karakter op geen enkele manier samenhangen met geografie of geboorteplaats – die bevinding moeten we net zo onvoorwaardelijk accepteren als de wet van de zwaartekracht.”153 Verderop in de verklaring werden sommige populaire geschriften van Boas over het onderwerp geciteerd, evenals de geschriften van Boas’ protégé Ashley Montagu, die wellicht de meest zichtbare tegenstander van het rassenconcept in die periode was.154 Montagu, die oorspronkelijk Israel Ehrenberg heette, ontwikkelde in de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog de theorie dat mensen van nature coöperatief, maar niet agressief zijn. Ook ging hij er van uit dat er een universele broederschap onder mensen bestaat (zie Shipman 1994, 159 ff). In 1952 verklaarde Margaret Mead, een andere protégé van Boas, voor de President’s Commission on Immigration and Naturalization (PCIN) (1953: 92) dat “alle menselijke wezens dezelfde potentiële vermogens hebben, ongeacht tot welke groep ze behoren… Ons beste recente antropologische bewijsmateriaal wijst er op dat mensen van iedere groep ongeveer gelijk zijn bedeeld met potentiële vermogens.” Een andere getuige verklaarde dat het uitvoerend bestuur van de American Anthropological Association unaniem zijn goedkeuring had uitgesproken over de stelling dat “[a]l het wetenschappelijke bewijs aantoont dat alle volkeren inherent capabel zijn om onze beschaving te verwerven of om zich eraan aan te passen” (PCIN 1953: 93) (in hoofdstuk 2 heb ik besproken hoe de aanhangers van Boas er in slaagden om door politieke activiteiten de American Anthropological Association te beheersen). In 1965 verkondigde senator Jacob Javits (Cong. Rec., 111 1965: 24469) tijdens het debat over de immigratiewet zelfverzekerd dat “zowel de stem van ons geweten als de grondregels van de sociologen ons zeggen dat immigratie, zoals die bestaat binnen het quotasysteem, verkeerd is. Het quotasysteem is niet gebaseerd op enige reden of feit, aangezien we te verstandig zijn om te zeggen dat de ene beter is dan de andere vanwege zijn huidskleur.” De intellectuele revolutie en de omzetting in openbaar beleid waren voltooid.
(2) Verhoudingen tussen kerk en staat. Joden waren ook voorstanders van cultureel pluralisme in de Verenigde Staten, omdat het in hun belang is dat de Verenigde Staten geen homogene christelijke cultuur vormen. Ivers (1995: 2) schrijft: “Joodse burgerrechtenorganisaties hebben een historische rol gespeeld bij de ontwikkeling van de wetten en van het beleid die de verhoudingen tussen kerk en staat regelden in Amerika na de Tweede Wereldoorlog.” In dit geval begon de belangrijkste Joodse inspanning pas na de Tweede Wereldoorlog, alhoewel Joden zich al veel eerder verzetten tegen banden tussen de staat en de protestantse religie. Zo veroordeelden Joodse publicaties unaniem de wet in Tennessee die in 1925 leidde tot de Scopes rechtszaak. Daarbij stonden darwinisme en religieus fundamentalisme tegenover elkaar (Goldfarb 1984: 43).
Het is niet belangrijk of evolutie wel of niet waar is. Wat wel belangrijk is, is dat er in dit land bepaalde machten zijn die eisen dat de regering er op toe ziet dat er geen leer zal worden onderwezen die op enige manier tornt aan de onfeilbaarheid van de bijbel. Dat is de kern van de zaak. Met andere woorden, het is een moedwillige on-Amerikaanse poging om de kerk en de staat te verenigen… En we gaan zelfs verder dan dat en beweren dat het een poging is om de staat met de protestantse kerk te verenigen. (Jewish Criterion 66 [10 juli 1925]; cursief in tekst)
De Joodse inspanning was in dit geval goed gefinancierd. Goed georganiseerde en uiterst toegewijde Joodse burgerrechtenorganisaties, waaronder het AJCommittee, het AJCongress en de ADL, legden zich toe op de zaak. Hoogwaardige juridische expertise werd ingezet in de eigenlijke rechtszaak, maar werd ook gebruikt om de juridische opinie te beïnvloeden door middel van artikels in juridische tijdschriften en andere fora van het intellectuele debat, waaronder de populaire media. Tijdens de rechtszaak was ook het uiterst charismatische en effectieve leiderschap van met name Leo Pfeffer van het AJCongress van belang:
Nooit eerder werd één bepaalde juridische arena zo lang zo overweldigend gedomineerd door het intellect van een advocaat. Hij trad op als auteur, als geleerde, als burger en bovendien als advocaat die zijn vele formidabele talenten bundelde tot één enkele kracht. Zo was hij in staat om in alle behoeften te voorzien van een instelling die constitutionele hervormingen wilde doorvoeren... Dankzij een benijdenswaardige combinatie van vaardigheid, vastberadenheid en doorzettingsvermogen slaagde die Pfeffer er in om de kwestie binnen korte tijd het vlaggenschip van het AJCongress te maken. Al snel was de hervorming van de verhoudingen tussen kerk en staat de belangrijkste zaak waarmee rivaliserende organisaties het AJCongress associeerden. Dat geeft goed weer, welke impact individuele advocaten met buitengewone vaardigheden kunnen hebben op het karakter en het leven van de organisaties waarvoor ze werken… Alsof ze willen aantonen hoe belangrijk Pfeffer was voor de constitutionele ontwikkeling na het Everson-tijdperk [i.e., het tijdperk na 1946], verwijzen zelfs de belangrijkste tegenstanders van de scheiding tussen kerk en staat geregeld naar Pfeffer. In hun ogen is hij de hoofdverantwoordelijke voor wat zij rouwig als de verloren betekenis van de staatskerkclausule bestempelen. (Ivers 1995: 222-224)
Op vergelijkbare wijze probeerden Joden in de negentiende eeuw in Frankrijk en Duitsland het onderwijs te onttrekken aan het gezag van respectievelijk de katholieke en de lutherse kerk. Zij deden dat omdat het christendom voor veel niet-Joden een belangrijk deel vormde van hun nationale identiteit (Lindemann 1997: 214). Vanwege dergelijke activiteiten beschouwden antisemieten Joden vaak als de vernietigers van het maatschappelijke stelsel.
(3) De organisatie van Afro-Amerikanen en de interetnische beweging in het tijdperk na de Tweede Wereldoorlog. Tot slot hebben Joden ook een belangrijke rol gespeeld bij de organisatie van de Afro-Amerikanen als een politieke macht. De zwarte burgerrechtenbeweging diende Joodse belangen door de politieke en de culturele hegemonie van niet-Joodse Europese Amerikanen te verzwakken. Joden hebben een bijzonder belangrijke rol gespeeld bij het organiseren van de Amerikaanse zwarte bevolking, vanaf de oprichting van de National Association for the Advancement of Colored People (NAACP) in 1909 tot op de dag van vandaag. Zij hebben dat gedaan ondanks toenemend antisemitisme binnen de Afro-Amerikaanse gemeenschap.
Tegen het midden van het decennium [ca. 1915] had de NAACP iets weg van een afdeling van B’nai B’rith en het American Jewish Committee. De gebroeders Joel en Arthur Springarn werkten respectievelijk als bestuursvoorzitter en als belangrijkste raadsman, Herbert Lehman zat in het uitvoerend comité, Lillian Wald en Jacob Sachs zaten in de raad (zij het niet tegelijkertijd) en Jacob Schiff en Paul Warburg fungeerden als financiële beschermengelen. Tegen 1920 was Herbert Seligman directeur van de voorlichtingsdienst en Marha Greuning assisteerde hem… Het is dus niet verwonderlijk dat een verbijsterde Marcus Garvey in 1917 het hoofdkwartier van de NAACP uitstormde, mompelend dat het een blanke organisatie was. (Levering-Lewis 1984: 85)
Rijke Joden waren ook belangrijke medewerkers van de National Urban League: “Het voorzitterschap van Edwin Seligman en de aanwezigheid in de raad van bestuur van Felix Adler, Lillian Wald, Abraham Lefkowitz en kort daarna Julius Rosenwald – de belangrijkste aandeelhouder van de Sears, Roebuck Company – waren de voorbodes van belangrijke Joodse bijdrages aan de National Urban League” (Levering-Lewis 1984: 85). Naast het verschaffen van financiële middelen en organisatorisch talent (de voorzitters van de NAACP waren Joden tot 1975), werd ook Joods juridisch talent aangewend voor Afro-Amerikaanse doelen. Louis Marshall, een hoofdrolspeler in de Joodse immigratiebeweging (zie verder), was een belangrijke advocaat van de NAACP tijdens de jaren twintig. Zwarte Amerikanen speelden geen belangrijke rol in de organisatie. Zo waren er bijvoorbeeld tot 1933 geen Afro-Amerikaanse advocaten werkzaam op de juridische afdeling van de NAACP (Friedman 1995: 106). De revisionistische historici die Friedman bespreekt, beweren zelfs dat Joden zwarte Amerikanen organiseerden voor hun eigen belangen en niet voor de belangen van de Afro-Amerikanen. In de periode na de Tweede Wereldoorlog was het hele gamma van Joodse burgerrechtenorganisaties, met inbegrip van het AJCommittee, het AJCongress en de ADL, betrokken bij zwarte kwesties: “Met professioneel opgeleid personeel, goed uitgeruste kantoren en voorlichtingsknowhow hadden zij de middelen om dingen te bereiken” (Friedman 1995: 135). Joden doneerden tussen twee derde en driekwart van de totale bijdragen aan burgerrechtenorganisaties tijdens de jaren zestig (Kaufman 1997: 110). Joodse groepen, met name het AJCongress, speelden een leidende rol bij het opstellen van de burgerrechtenwetgeving. Ook waren zij betrokken bij rechtszaken die te maken hadden met burgerrechtenkwesties. Dat alles was in het voordeel van de zwarten (Svonkin 1997: 79-112). “Door Joodse steun, zowel juridisch als financieel, was de burgerrechtenbeweging in staat een reeks juridische overwinningen te boeken… De bewering van een advocaat van het American Jewish Congress, dat ‘veel van die wetten eigenlijk waren geschreven door Joods personeel in de kantoren van Joodse instellingen, waren ingediend door Joodse wetgevers en waren doorgevoerd onder druk van Joodse kiezers’ is nauwelijks overdreven” (Levering-Lewis 1984: 94).
Harold Cruse (1967, 1992) geeft een bijzonder scherpe analyse van de Joods-zwarte coalitie die een aantal thema’s in dit werk weerspiegelt. Ten eerste merkt hij op: “Joden weten precies wat ze willen in Amerika” (121; cursief in tekst). Joden willen cultureel pluralisme om hun beproefde tactiek van non-assimilatie en groepssolidariteit toe te kunnen passen. Cruse merkt echter op dat de Joodse ervaring in Europa heeft aangetoond dat “twee partijen dat spelletje kunnen spelen” (i.e., uiterst nationalistische, solidaire groepen ontwikkelen) en “wanneer dat gebeurt, wee de partij met de geringste aantallen” (p. 122; cursief in tekst). Cruse verwijst hier naar de mogelijkheid van antagonistische groepsstrategieën (en, zo neem ik aan, de reactionaire ontwikkelingen) die het hoofdthema in SAID vormen (hoofdstuk 3-5). Cruse merkt tevens op dat Joodse organisaties Angelsaksisch (lees blank) nationalisme als de grootst mogelijke bedreiging zien en dat zij de neiging hebben gehad om een pro-zwart integratiebeleid (i.e., assimilationistisch, individualistisch) voor zwarten in Amerika te steunen. Waarschijnlijk hebben ze dat gedaan om de blanke macht te verzwakken en om de kans op het ontstaan van een coherente, nationalistische, antisemitische blanke meerderheid te verkleinen. Tegelijkertijd hebben Joodse organisaties zich verzet tegen zwart nationalisme, terwijl ze wel een anti-assimilationistische, nationalistische groepsstrategie voor hun eigen groep nastreefden.
Cruse wijst ook op de asymmetrie in de verhoudingen tussen Joden en zwarten: Terwijl Joden belangrijke posities hebben bekleed binnen zwarte burgerrechtenorganisaties, actief betrokken zijn geweest bij de financiering ervan en een belangrijke rol hebben gespeeld bij het opstellen en uitvoeren van het beleid van die organisaties, zijn zwarten volledig uitgesloten van de interne structuren en beleidsorganen van Joodse organisaties. De zwarte beweging in de Verenigde Staten zou – tot voor kort tenminste – in niet geringe mate moeten worden beschouwd als een Joods machtsinstrument. Het is aannemelijk dat Joden met hun steun aan de zwarte beweging vergelijkbare doelen voor ogen hadden, als met hun pogingen om immigratie te bevorderen: Beide initiatieven waren bedoeld om van de VS een pluriforme en multi-etnische samenleving te maken.
De Joodse rol in Afro-Amerikaanse aangelegenheden moet echter worden gezien als een onderdeel van een groter geheel. Joden speelden een rol in de bredere interetnische beweging die probeerde “vooroordelen over en discriminatie van raciale, etnische en religieuze minderheden te elimineren” in de periode na de Tweede Wereldoorlog (Svonkin 1997: 1). Net als in de andere bewegingen waarin Joden actief waren, hadden ook binnen de interetnische beweging Joodse organisaties – en met name het AJCommittee, het AJCongress en de ADL – leidende functies. Die organisaties vormden de belangrijkste bronnen van inkomsten, stelden de tactieken op en bepaalden de doelstellingen van de beweging. Net als bij de beweging die het immigratiebeleid wilde omvormen, kwam het doel van de interetnische beweging voort uit Joods eigenbelang. De beweging was er namelijk op gericht de ontwikkeling van een massale, antisemitische beweging in de Verenigde Staten te voorkomen: Joodse activisten “beschouwden hun toewijding aan de interetnische beweging als een preventieve maatregel, die ervoor moest zorgen dat ‘het’ – de uitroeiingsoorlog van de nazi’s tegen het Europese Jodendom – nooit in Amerika zou plaatsvinden” (Svonkin 1997: 10).
De interetnische beweging streed op meerdere fronten. Haar activiteiten omvatten onder meer rechtszaken tegen vooroordelen bij huisvesting, onderwijs en publieke werkgelegenheid; wetsvoorstellen en inspanningen om anti-discriminatiewetten op statelijk en federaal niveau te laten goedkeuren door de wetgevende organen; inspanningen om de berichtgeving door de media te beïnvloeden; onderwijsprogramma’s voor leerlingen en leraren; en intellectuele inspanningen om het intellectuele discours binnen de academische wereld opnieuw vorm te geven. De interetnische beweging probeerde openlijke Joodse betrokkenheid vaak te minimaliseren (e.g., Svonkin 1997: 45, 51, 65, 71-72). Dat gebeurde ook binnen de beweging voor de hervorming van het immigratiebeleid en in een groot aantal andere gevallen van Joodse politieke en intellectuele activiteiten in moderne en premoderne tijden (zie SAID hoofdstuk 6).
Zoals Joden in het Duitsland van de negentiende eeuw probeerden om hun belangen uit te drukken in termen van Duitse idealen (Ragins 1980: 55; Schmidt 1959: 46), benadrukte de retoriek van de interetnische beweging dat haar doelen overeenkwamen met Amerikaanse zelfconcepten. Door die manoeuvre benadrukte de interetnische beweging het Verlichtingsideaal van individuele rechten, maar negeerde zij het republikeinse facet van de Amerikaanse identiteit als een coherente, sociaal homogene samenleving. Ook negeerde de beweging het “etnoculturele” facet, waarin het belang van de Angelsaksische etniciteit bij de ontwikkeling en het behoud van de Amerikaanse vormen van cultuur werden benadrukt (Smith 1988; zie hoofdstuk 8). Vrijzinnig kosmopolitisme en individuele rechten werden ook beschouwd als concepten die nauw samenhingen met Joodse idealen die teruggingen tot de profeten (Svonkin 1997: 7, 20). Dat zelfconcept negeert de negatieve beeldvorming en de discriminatie van outgroups, evenals de uitgesproken collectivistische trend die centraal staat binnen het Jodendom als een strategie voor groepsevolutie. Zoals Svonkin opmerkt, steunde de Joodse retoriek in die periode op een denkbeeldige visie van het Joodse verleden, die pasklaar was gemaakt om Joodse doeleinden in de moderne wereld te bereiken: een moderne wereld waarin Verlichtingsretoriek over universalisme en individuele rechten een kenmerk was van aanzienlijk intellectueel prestige.
De intellectuele bewegingen die in dit boek zijn besproken – met name de boasiaanse antropologie, de psychoanalyse en de Frankfurter Schule – waren van essentieel belang om de Joodse belangen in die periode te rationaliseren. Zoals ook wordt aangegeven in hoofdstuk 5, financierden Joodse organisaties onderzoek in de sociale wetenschappen (met name sociale psychologie) en er ontstond een kern van overwegend Joodse academische activisten die nauw samenwerkten met Joodse organisaties (Svonkin 1997: 4; zie hoofdstuk 5). Er werd na de Tweede Wereldoorlog gebruik gemaakt van de boasiaanse antropologie in propaganda die door het AJCommittee, het AJCongress en de ADL werd verdeeld en bevorderd. Een goed voorbeeld van dergelijke propaganda is de film Brotherhood of Man, waarin iedere menselijke groep even capabel als de andere wordt afgeschilderd. Gedurende de jaren dertig gaf het AJCommittee financiële steun aan Boas voor zijn onderzoek. In het naoorlogse tijdperk sponsorden die Joodse activistische organisaties onderwijsprogramma’s die in grote delen van het Amerikaanse onderwijssysteem werden verspreid. De boasiaanse leer, die inhoudt dat er geen rassenverschillen bestaan, vormde een belangrijk ingrediënt van die programma’s, evenals de opvattingen van Boas over cultuurrelativisme. Ook de leer van Horace Kallen, waarin behoud van en respect voor culturele verschillen hoog in het vaandel stonden, maakte onderdeel uit van die onderwijsprogramma’s (Svonkin 1997: 63, 64).
In de vroege jaren zestig schatte een beambte van de ADL, dat een derde van de Amerikaanse leraren educatief materiaal had ontvangen dat op deze ideeën was gebaseerd (Svonkin 1997: 69). De ADL was ook nauw betrokken bij workshops voor leraren en schooldirecteuren door personeel te leveren, scholingsmateriaal te ontwikkelen en financiële ondersteuning te geven. Bij die workshops waren vaak sociale wetenschappers betrokken – een associatie die ongetwijfeld bijdroeg aan de wetenschappelijke geloofwaardigheid van dergelijke praktijken. Het is wellicht ironisch dat die acties om het curriculum van het openbare onderwijs te beïnvloeden werden uitgevoerd door dezelfde groepen die probeerden om openlijke christelijke invloeden uit het publieke onderwijs te verwijderen.155
De ideeën over vijandigheid tussen verschillende groepen die de interetnische beweging ontwikkelde, waren afkomstig uit de Studies in Prejudice-serie die in hoofdstuk 5 wordt beschreven. Volgens die ideologie waren uitingen van niet-Joods etnocentrisme of discriminatie van outgroups een geestesziekte en daarom letterlijk een volksgezondheidsprobleem. De bestrijding van interetnische vijandigheid werd vergeleken met een medische bestrijding van dodelijke infectieziekten en mensen die de ziekte hadden werden door activisten omschreven als “besmet” (Svonkin 1997: 30, 59). In de intellectuele grondgedachte van de interetnische beweging werd continu de nadruk gelegd op de voordelen die te behalen waren als groepen harmonieuzer met elkaar zouden samenleven: een aspect van het idealisme dat onlosmakelijk verbonden was met Horace Kallen’s beeldvorming van multiculturalisme. Er werd echter geen gewag gemaakt van het feit dat sommige groepen – met name niet-Joodse groepen van Europese origine – economische en politieke macht zouden verliezen en aan culturele invloed zouden inboeten (Svonkin 1997: 5). Negatieve houdingen tegenover groepen werden niet beschouwd als het resultaat van strijdige groepsbelangen, maar eerder als het resultaat van een individuele psychopathologie (Svonkin 1997: 75). Toen niet-Joods etnocentrisme uiteindelijk werd gezien als een gevaar voor de volksgezondheid, streed het AJCongress tegen Joodse assimilatie. Het AJCongress “was uitgesproken toegewijd aan een pluralistische visie die groepsrechten en groepsonderscheid als een fundamentele burgerlijke vrijheid respecteerde” (Svonkin 1997: 81).
JOODSE ANTI-RESTRICTIONISTISCHE POLITIEKE ACTIVITEIT
Joodse anti-restrectionistische activiteiten in de Verenigde Staten tot 1924
Het lijkt erop dat de Joodse betrokkenheid bij de omvorming van de intellectuele discussie over ras en etniciteit een langdurig effect had op het Amerikaanse immigratiebeleid, maar de Joodse politieke betrokkenheid was uiteindelijk veel belangrijker. In de Verenigde Staten zijn de Joden gedurende het hele immigratiedebat sinds 1881 “de meest volhardende pressiegroep geweest die een vrij immigratiebeleid ondersteunde” (Neuringer 1971: 392-393):
Tijdens hun inspanningen om een soepeler immigratiebeleid op te stellen, gaven Joodse woordvoerders en organisaties blijk van een onvermoeibaarheid die door geen enkele andere betrokken pressiegroep werd geëvenaard. Immigratie was voor praktisch iedere grote Joodse verdedigings- en voorlichtingsorganisatie een punt van groot belang. Door de jaren heen hadden hun woordvoerders vlijtig hoorzittingen in het Congres bijgewoond en de Joodse inspanningen speelden een belangrijke rol bij de oprichting en de financiering van niet-sektarische groepen zoals de National Liberal Immigration League en het Citizens Committee for Displaced Persons.
Nathan C. Belth (1979: 173) schrijft in zijn geschiedenis van de ADL: “In al de jaren dat de immigratiestrijd in het Congres werd gevoerd, vormden de Joodse volksvertegenwoordigers de voorhoede van de progressieve krachten: van Adolph Sabath tot Samuel Dickstein en Emanuel Celler in het Huis van Afgevaardigden en Herbert H. Lehman tot Jacob Javits in de Senaat. Ieder van hen had voorheen een leidende rol gespeeld binnen de Anti-Defamation League en binnen andere grote organisaties die zich bezig hielden met democratische ontwikkeling.” De Joodse Congresleden die in het Congres het hardst hun best deden om de grenzen van de VS te openen, waren dus ook leiders geweest van de groep die zich duidelijk vereenzelvigde met Joods etnisch politiek activisme en zelfverdediging.
Gedurende de kleine eeuw die voorafging aan de invoering van de immigratiewet van 1965, sloten Joodse groepen opportunistische allianties met andere groepen waarvan de belangen tijdelijk overeenkwamen met de Joodse (e.g., een voortdurend veranderende verzameling van etnische groeperingen, religieuze groeperingen, pro-communisten, anti-communisten, de buitenlandse belangen van verschillende presidenten, de politieke noodzaak voor presidenten om in de gunst te komen bij invloedrijke groepen in dichtbevolkte staten om de nationale verkiezingen te winnen, enz.). Bijzonder opmerkelijk was de steun voor een soepel immigratiebeleid van industriële belangengroepen die behoefte hadden aan goedkope arbeidskrachten. Die steun bestond tenminste in de periode vóór de tijdelijke triomf van het restrictionisme in 1924. Binnen deze constant veranderende verzameling van allianties waren de Joodse groepen volhardend in het nastreven van hun doelen: het maximaliseren van het aantal Joodse immigranten en het openen van de Amerikaanse grenzen voor immigranten uit de hele wereld. Zoals later zal worden aangetoond, ondersteunt historisch materiaal de veronderstelling dat de transformatie van de Verenigde Staten naar een multiculturele samenleving al vanaf de negentiende eeuw een belangrijk Joods doel was.
Dat Joden uiteindelijk hebben gezegevierd in de slag om het immigratiebeleid is opmerkelijk. De strijd werd immers gestreden op meerdere fronten tegen een mogelijk zeer machtige verzameling van tegenstanders. Aan het eind van de negentiende eeuw werd het leiderschap van de restrictionisten gevormd door patriciërs uit het oosten van de VS zoals senator Henry Cabot Lodge. Vanaf 1910 tot 1952 vormden “de gewone mensen uit het zuiden en het westen” (Higham 1984: 49) en hun vertegenwoordigers in het Congres de belangrijkste politieke basis voor het restrictionisme (naast de relatief machteloze vakbonden). In wezen waren aanvaringen tussen Joden en niet-Joden in de periode tussen 1900 en 1965 conflicten tussen Joden en die geografisch geconcentreerde groep. “Dankzij hun intellectuele energie en economische middelen vormden de Joden een voorhoede van de nieuwe volkeren die geen voeling hadden met de tradities van het landelijke Amerika” (Higham 1984: 168-169). Dat thema komt tevens naar voren in de bespreking van de New York Intellectuals in hoofdstuk 6 en in de bespreking van de Joodse rol in het politieke radicalisme in hoofdstuk 3.
Alhoewel zij vaak bezorgd waren dat Joodse immigratie het antisemitisme in Amerika zou doen oplaaien, slaagden Joodse leiders er door een lange en grotendeels succesvolle actie in om immigratiebeperkingen van 1891 tot 1924 uit te stellen. Met name beperkingen die de mogelijkheid voor Joden om te immigreren zouden verkleinen werden in die periode tegengehouden. De anti-restrictionistische acties van de Joden duurden voort, ondanks het feit dat rond 1905 “de Joodse opvattingen over immigratie lijnrecht tegenover de algemene Amerikaanse opvattingen stonden” (Neuringer 1971: 83). Joodse groeperingen namen een unieke positie in door hun intensieve en aanhoudende inspanningen om immigratiebeperkingen tegen te houden. Andere religieuze groepen zoals de katholieken en etnische groepen zoals de Ieren hielden er immers verdeelde en ambivalente standpunten over immigratie op na. Zij waren slecht georganiseerd en niet in staat om het immigratiebeleid te beïnvloeden. De vakbonden waren tegen immigratie, omdat zij de toestroom van goedkope arbeidskrachten wilden verhinderen.
Cohen (1972: 40 ff) schrijft over de inspanningen van het AJCommittee in de strijd tegen immigratiebeperking in de vroege twintigste eeuw. Volgens hem zijn die inspanningen een opmerkelijk voorbeeld van het vermogen van Joodse organisaties om het openbare beleid te beïnvloeden. Van alle groepen waarop de immigratiewetgeving van 1907 invloed had, hadden de Joden qua aantallen mogelijke immigranten het minst te winnen, maar zij speelden veruit de belangrijkste rol bij de vormgeving van de wetgeving (Cohen 1972: 41). In de daaropvolgende periode die voorafging aan de betrekkelijk ineffectieve restrictionistische wetgeving van 1917 – toen de restrictionisten opnieuw actie ondernamen in het Congres – “stond alleen het Joodse deel van de bevolking op de barricaden” (Cohen 1972: 49).
Niettemin werden er pogingen ondernomen om te voorkomen dat de Joodse betrokkenheid in de anti-restrictionistische campagnes werd waargenomen. Die pogingen kwamen voort uit de angst voor antisemitisme. In 1906 kregen Joodse anti-restrictionistische politici opdracht om te lobbyen in het Congres, zonder hun band met het AJCommittee te vermelden. Die instructie kwam voort uit “het gevaar dat de Joden ervan kunnen worden beschuldigd zichzelf te organiseren voor een politiek doel” (commentaar van Herbert Friedenwald, secretaris van het AJCommittee; in Goldstein 1990: 125). Vanaf de late negentiende eeuw stoffeerden Joden hun anti-restrictionistische argumenten doorgaans met universalistische humanitaire idealen. Er werden nog meer pogingen gedaan om de strijd tegen immigratiebeperking een algemener karakter te geven. Zo werden niet-Joden uit oude protestantse families gerekruteerd om te fungeren als opsmuk voor de Joodse inspanningen. Ook financierden Joodse groepen zoals het AJCommittee pro-immigratiegroeperingen die uit niet-Joden bestonden (Neuringer 1971: 92).
Veel van de activiteiten bestonden uit persoonlijke ontmoetingen met politici achter de schermen. Zo probeerde men de Joodse rol in de kwestie naar buiten toe te minimaliseren en tegenstanders niet te provoceren (Cohen 1972: 41-42; Goldstein 1990). Dergelijke taferelen zouden zich later opnieuw afspelen bij pogingen om het immigratiebeleid te versoepelen. Politici die tegenstand boden, zoals Henry Cabot Lodge, en organisaties zoals de Immigration Restriction League werden nauwlettend in de gaten gehouden en onder druk gezet door lobbyisten. Lobbyisten in Washington hielden ook een dagelijkse scorekaart van stemtendensen bij, toen de wetsvoorstellen voor immigratiebeleid in het Congres werden behandeld. Ook probeerden zij – en vaak met succes – de presidenten Taft en Wilson ertoe over te halen hun veto uit te spreken over restrictieve immigratiewetgeving. Katholieke geestelijken werden ingezet om te protesteren tegen de effecten die de restrictionistische wetgeving had op immigratie uit Italië en Hongarije. Wanneer er restrictionistische argumenten verschenen in de media, stelde het AJCommittee verfijnde replieken op aan de hand van wetenschappelijke gegevens. Die replieken werden doorgaans doorspekt van universalistische termen om aan te geven dat de hele samenleving baat zou hebben bij een soepel immigratiebeleid. In nationale tijdschriften verschenen artikels waarin immigratie in een positief daglicht werd gesteld en in kranten werden lezersbrieven afgedrukt. Er werden acties ondernomen om Joodse immigranten over de hele Verenigde Staten te verdelen en om Joodse vreemdelingen uit de bijstand te krijgen. Het doel van die acties was om de negatieve beeldvorming van immigratie te minimaliseren. Er werden juridische acties ondernomen om te voorkomen dat Joodse vreemdelingen werden gedeporteerd en uiteindelijk werden er massademonstraties georganiseerd.
Uit de geschriften van de socioloog Edward A. Ross uit 1914 blijkt, dat hij een soepel immigratiebeleid als een exclusief Joodse kwestie beschouwde. Ross citeert de prominente auteur en zionistische pionier Israel Zangwill. Zangwill verwoordde het idee dat de Verenigde Staten een ideale plaats zijn om Joodse doeleinden te bereiken.
Amerika heeft meer dan voldoende ruimte voor de zes miljoen uit de Tsjerta [i.e., het Joodse gettogebied in Rusland, waarin de meeste Russische Joden woonden]; iedere Amerikaanse staat zou hen kunnen opnemen. Zij zouden dan een eigen land bezitten en daarnaast is er voor hen geen beter lot denkbaar, dan samen te leven in een land met burgerlijke en religieuze vrijheiden, waar het christendom geen onderdeel uitmaakt van de grondwet. In de Verenigde Staten zouden hun gezamenlijke stemmen hen behoeden voor vervolging in de toekomst. (Israel Zangwill, in Ross 1914: 144)
Immigratiebeleid is daarom een punt van groot belang voor Joden:
Vandaar de inspanning van de Joden om het Amerikaanse immigratiebeleid te controleren. Alhoewel gemiddeld slechts een op de zeven immigranten Joods is, leidden zij de strijd tegen het wetsvoorstel van de commissie voor Immigratie. Dankzij de macht van de miljoen Joden in de metropolis stond de New Yorkse delegatie in het Congres in slagorde opgesteld om hevige weerstand te bieden tegen de alfabetiseringstoets. De systematische campagne in de kranten en de tijdschriften om alle argumenten voor restrictie te ontmantelen en om nativistische angsten te beteugelen wordt door en voor één enkel ras gevoerd. Er zit Hebreeuws geld achter de National Liberal Immigration League en haar talloze publicaties. Van de krant voor het handelswezen of de wetenschappelijke vereniging, tot het lijvige traktaat dat met de hulp van het Baron de Hirsch Fund is geschreven: De literatuur die immigratie onder alle klassen in Amerika aanmoedigt, ontspruit uit subtiele Hebreeuwse hersenen. (Ross 1914: 144-145)
Ross (1914: 150) vermeldde ook dat immigratiebeambten “erg geïrriteerd waren geraakt door het onophoudelijke spervuur van valse beschuldigingen dat de Joodse pers en verenigingen op hen hebben geopend. Amerikaanse senatoren klagen over de stortvloed van frauduleuze statistieken en verkeerde voorstellingen, waarmee de Hebreeuwen die de alfabetiseringstoets aanvechten hen overstelpen.” Tijdens de debatten over de immigratiewet van 1924 waren de restrictionisten goed op de hoogte van Zangwills standpunten (zie verder). In een toespraak die in The American Hebrew (19 oktober 1923: 582) werd herdrukt, maakte Zangwill de volgende opmerking: “Er is slechts een manier om wereldvrede te bereiken en dat is de volledige afschaffing van paspoorten, visums, grenzen, douanekantoren en alle andere instrumenten die van de wereldbevolking geen samenwerkende beschaving maken, maar een wederzijdse irritatiesamenleving.” Zijn beroemde toneelstuk The Melting Pot (1908) was opgedragen aan Theodore Roosevelt. In het stuk worden Joodse immigranten afgeschilderd als een groep die ernaar verlangt te assimileren en gemengde huwelijken aan te gaan. De hoofdpersoon beschrijft de Verenigde Staten als een smeltkroes waarin alle rassen, inclusief de “zwarte en gele” rassen, samensmelten.156 Zangwill’s standpunt over huwelijken tussen Joden en niet-Joden was op zijn zachtst gezegd ambigu te noemen (Biale 1998: 22-24) en hij verafschuwde de bekering van Joden tot het christendom. Zangwill was een vurig zionist en een bewonderaar van de religieuze orthodoxie van zijn vader als een model voor het behoud van het Jodendom. Hij geloofde dat de Joden een moreel superieur ras waren, wiens morele visie de christelijke en islamitische samenlevingen had gevormd en uiteindelijk de wereld zou vormen. Het christendom bleef echter moreel inferieur aan het Jodendom (zie Leftwich 1957: 162 ff). Joden zouden hun raszuiverheid behouden, als ze hun geloof zouden blijven belijden: “Zolang het Jodendom bloeit onder de Joden is het niet nodig om te spreken over het veiligstellen van het ras of de nationaliteit; beide worden automatisch behouden door de godsdienst” (in Leftwich 1957: 161).
Ondanks de pogingen van de Joodse activisten om de pro-immigratiebeweging af te schilderen als een diverse beweging, waren zij zich bewust van het het gebrek aan enthousiasme onder andere groepen. Tijdens de strijd over de restrictionistische wetgeving die aan het einde van Tafts regeerperiode werd uitgevochten, schreef Herbert Friedenwald – de secretaris van het AJCommittee – dat het “erg moeilijk [was] om naast de Joden andere mensen te mobiliseren in dit gevecht” (in Goldstein 1990: 203). Het AJCommittee leverde een grote bijdrage aan het organiseren van anti-restrictionistische bijeenkomsten in grote Amerikaanse steden, maar andere etnische groepen kregen toestemming om met de eer te strijken. Het AJCommittee mobiliseerde ook niet-Joodse groepen om president Taft ertoe te bewegen zijn veto uit te spreken over de restrictionistische wetgeving (Goldstein 1990: 216, 227). Tijdens de regeerperiode van Wilson, verklaarde Louis Marshall: “Wij zijn praktisch de enigen die verzet bieden [tegen de alfabetiseringstoets] terwijl een “groot deel” [van het volk] “onverschillig is over de gang van zaken” (in Goldstein 1990: 249).
De restrictionistische machten hadden een tijdelijk succes geboekt met de immigratiewetten van 1921 en 1924, die ondanks de hevige weerstand van Joodse groepen waren ingevoerd. Divine (1957: 8) merkt op dat alleen de woordvoerders voor de Zuidoost-Europese immigranten – veelal Joodse leiders – zich opmaakten voor de strijd tegen de restrictionistische machten. Hun “protesten werden overstemd door de algemene roep om immigratiebeperking.” Tijdens de hoorzittingen over immigratie in het Congres in 1924 bestond “de belangrijkste groep tegenstanders van het wetsvoorstel” uit “de vertegenwoordigers van Zuidoost-Europese immigranten en met name uit Joodse leiders” (Divine 1957: 16).
De Joodse tegenstand tegen die wetgeving werd aangewakkerd door de opvatting dat antisemitisme het motief was achter de wetten en dat de wetten discrimineerden in het voordeel van Noordwest-Europeanen. De tegenstand kwam echter ook voort uit de bezorgdheid dat de wetgeving Joodse immigratie zou beperken (Neuringer 1971: 164) – de Joodse visie impliceerde daarom een botsing met de etnische status quo die Noordwest-Europeanen begunstigde. Verzet tegen bevooroordeelde immigratie ten gunste van Noordwest-Europeanen bleef een belangrijk kenmerk van de Joodse houding in de daaropvolgende jaren. Het verzet van Joodse organisaties tegen immigratiebeperkingen op grond van ras of etniciteit dateert echter al van de negentiende eeuw.
Zo veroordeelde de Joodse pers in 1882 unaniem de Chinese Exclusion Act waardoor de immigratie van Chinezen drastisch werd ingeperkt (Neuringer 1971: 23), ook al had die wet geen directe invloed op de Joodse immigratie. In de vroege twintigste eeuw bestreed het AJCommittee geregeld wetsvoorstellen die immigratie beperkten tot blanken of niet-Aziaten. De organisatie zag alleen af van actieve tegenstand, wanneer zij dacht dat de betrokkenheid van het AJCommittee de immigratie van Joden in het geding zou brengen (Cohen 1972: 47; Goldstein 1990: 250). In 1920 nam de Central Conference of American Rabbis een motie aan die er op aandrong dat “de natie... de poorten van onze geliefde republiek openhoudt... voor de onderdrukten en noodlijdenden van de gehele mensheid, conform haar historische rol als toevluchtsoord voor alle mannen en vrouwen die trouw zweren aan haar wetten” (in The American Hebrew 1 oktober 1920: 594). The American Hebrew was een blad dat in 1867 was opgericht als spreekbuis voor het toenmalige Duits-Joodse establishment. In zijn bladspiegel wees het blad op zijn oude standpunt: “The American Hebrew heeft altijd gestaan voor de toelating van waardige immigranten van alle klassen, ongeacht hun nationaliteit” (17 februari 1922: 373). Louis Marshall van het AJCommittee verklaarde in 1924 tijdens de hoorzittingen voor de commissie voor Immigratie en Naturalisatie voor het Huis van Afgevaardigden (House Committee on Immigration and Naturalization), dat de sentimenten van de Ku Klux Klan weerklonken in het wetsvoorstel; hij omschreef het voorstel als een product van de racialistische theorieën van Houston Stewart Chamberlain. In een tijd dat de Verenigde Staten meer dan 100 miljoen inwoners hadden, gaf Marshall de volgende verklaring: “[W]e hebben in dit land voldoende ruimte om tien keer de huidige bevolking te herbergen.” Hij pleitte voor de toelating van alle volken op aarde zonder quota’s, met uitzondering van alleen diegenen die “mentaal, moreel en fysiek ongeschikt zijn, die vijandig staan tegenover een georganiseerde regering en die geneigd zijn om de gemeenschap tot last te zijn.”157 Rabbijn Stephen S. Wise, die tijdens de hoorzittingen van het Huis van Afgevaardigden het AJCongress en een aantal andere Joodse organisaties vertegenwoordigde, sprak op dezelfde wijze over “het recht van iedere man buiten Amerika om eerlijk en rechtvaardig en zonder discriminatie te worden beoordeeld.”158
De wet van 1924 verordende dat de immigratie beperkt bleef tot drie procent van de aanwezige allochtonen, gerekend vanaf de volkstelling van 1890. De wet was bedoeld om een etnische status quo te handhaven, die min of meer overeenkwam met de volkstelling van 1920. Het meerderheidsrapport van het Huis van Afgevaardigden benadrukte dat voor de invoering van de wet Oost- en Zuid-Europeanen in het immigratiebeleid werden voorgetrokken. Het rapport benadrukte ook dat die onevenwichtigheid niet was opgeheven door de wetgeving van 1921, omdat de immigratiequota volgens die wet werden opgesteld aan de hand van de aantallen allochtonen in de volkstelling van 1910. De wet van 1924 had een duidelijk doel: De wens van andere groepen om hun eigen etnische belangen te behartigen door hun bevolkingsdeel te laten groeien, moest worden afgewogen tegen het etnische belang van de meerderheid. Het belang van de autochtonen bestond erin een gelijk aandeel te houden binnen de bevolking.
De wet van 1921 verleende 46 procent van de immigratiequota aan Zuid- en Oost-Europa, ook al kwam – volgens de volkstelling van 1920 – slechts 11,7 procent van de Amerikaanse bevolking uit die gebieden. De wet van 1924 schreef voor dat die gebieden 15,3 procent van de quotaplaatsen zouden krijgen – een cijfer dat eigenlijk hoger lag dan het percentage Zuid- en Oost-Europeanen dat in de VS woonde. “Het gebruik van de volkstelling van 1890 is niet discriminerend. Het is gebruikt in een poging om de raciale status quo van de Verenigde Staten zo goed mogelijk te behouden. Ondanks het late tijdstip hopen we op die manier zo goed mogelijk de raciale homogeniteit in de Verenigde Staten te waarborgen. Het gebruik van een latere volkstelling zou discriminerend zijn voor diegenen die de natie stichtten en haar instellingen voortzetten” (House Rep. No. 350, 1924: 16). Na drie jaar werden de quota’s opgesteld aan de hand van een nationale herkomstformule die was gebaseerd op de gegevens van de volkstelling van 1920. De gebruikte gegevens betroffen niet alleen allochtonen, maar de hele bevolking. Deze wet belichaamde ongetwijfeld een overwinning voor de Noordwest-Europese volken in de Verenigde Staten, alhoewel er geen poging werd ondernomen om de tendensen in de etnische samenstelling van het land om te draaien; het was meer de bedoeling van de wet om de etnische status quo te handhaven.
Alhoewel de wetgeving voortkwam uit het verlangen om een etnische status quo te behouden, was antisemitisme wellicht ook een beweegreden. Destijds werd een soepel immigratiebeleid immers gezien als een overwegend Joodse kwestie (zie eerder). Joodse waarnemers lijken het antisemitisme in de hele kwestie als belangrijk te hebben beschouwd: De prominente Joodse schrijver Maurice Samuel (1924: 217) bijvoorbeeld, schreef direct na de invoering van de immigratiewet in 1924 dat “het voornamelijk de Jood is die door de anti-immigratiewetten in zowel Amerika als in Engeland en Duitsland wordt geviseerd.” Dergelijke inzichten kunnen ook worden teruggevonden bij huidige historici die de jaren twintig bestuderen (e.g., Hertzberg 1989: 239). Niet alleen Joden bekeken de zaak op die manier. Senator Reed van Missouri merkte tijdens een Senaatzitting op: “Het Joodse volk dat zich voor onze kusten verdringt is evenzeer aangevallen. De geest van intolerantie is vooral tegenover hen actief geweest” (Cong. Rec. 19 februari 1921: 3463). Tijdens de Tweede Wereldoorlog zei minister van Oorlog Henry L. Stimson dat de restrictieve wetgeving van 1924 was ingevoerd vanwege het verzet tegen de onbeperkte immigratie van Joden (Breitman & Kraut 1987: 87).
Bovendien verklaarde het meerderheidsrapport van de commissie voor Immigratie voor het Huis van Afgevaardigden (House Rep. No. 109, 6 december 1920) dat “het overgrote deel van de immigranten van Joodse origine [is]” (p. 4). Het rapport liet ook doorschemeren dat de meerderheid van de verwachte nieuwe immigranten Poolse Joden zouden zijn. Het rapport bevestigde “de gepubliceerde verklaring van een vertegenwoordiger van de Hebrew Sheltering and Aid Society of America. In de verklaring, die hij naar buiten bracht na zijn persoonlijke onderzoek in Polen, stelde hij: ‘Als er een schip bestond dat 3.000.000 mensen kon vervoeren, dan zouden de 3.000.000 Joden in Polen aan boord gaan om naar Amerika te ontsnappen’” (p.6).
Het meerderheidsrapport bevatte eveneens een verslag van Wilbur S. Carr, het hoofd van de Amerikaanse consulaire dienst, waarin stond dat de Poolse Joden “abnormale afwijkingen vertoonden vanwege (a) oorlogstrauma’s; (b) de schok van revolutionaire ongeregeldheden; (c) de matheid en afstomping die jarenlange onderdrukking en misbruik hebben veroorzaakt...; Bij vijfentachtig tot negentig procent van hen ontbreekt ieder spoor van patriottisch of nationaal gevoel. En de meerderheid van dit percentage is niet in staat om zo’n gevoel te ontwikkelen” (p. 9 zie Breitman & Kraut [1987: 12] voor een bespreking van Carr’s antisemitisme). (In Engeland weigerden veel nieuwe Joodse immigranten tijdens de Eerste Wereldoorlog militaire dienst, omdat ze niet tegen de vijanden van de tsaar wilden vechten; zie eindnoot 14). Het verslag waarschuwde ook dat “er veel bolsjewistische sympathisanten in Polen zijn” (p. 11). In de Senaat citeerde senator McKellar ook het verslag waarin stond dat drie miljoen Polen zouden immigreren als er een schip bestond dat groot genoeg was om hen te vervoeren. Hij zei ook dat “het Joint Distribution Committee, een Amerikaans comité dat hulp verleende onder de Hebreeuwen in Polen, iedere maand alleen al in Polen meer dan $1.000.000 in Amerikaanse valuta uitdeelt in Polen. Het is ook aangetoond dat jaarlijks $100.000.000 – en dat is slechts een voorzichtige schatting – van Amerika naar Polen wordt verstuurd via de post, de banken en door de hulporganisaties. Die gouden stroom die vanuit Amerika over Polen wordt uitgestort zorgt ervoor dat vrijwel iedere Pool het vurige verlangen koestert om naar het land te gaan, waar zulke fantastische rijkdommen vandaan komen” (Cong. Rec. 19 februari 1921: 3456).
Een andere aanwijzing voor het opvallende karakter van de Pools-Joodse immigratiekwestie is de brief over visa voor buitenlanders, die het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken in 1921 schreef aan Albert Johnson, de voorzitter van de commissie voor Immigratie en Naturalisatie. In de brief werd vier keer zoveel aandacht besteed aan de situatie in Polen dan aan enig ander land. Het verslag wees met nadruk op de activiteiten van de Pools-Joodse krant Der Emigrant, die de emigratie van Poolse Joden naar de Verenigde Staten bevorderde. Ook werden in de brief de activiteiten besproken van Hebrew Sheltering and Immigrant Society en van rijke Amerikaanse particulieren die immigratie mogelijk maakten door immigranten van geld te voorzien en administratieve formaliteiten te verrichten. (Er bestond inderdaad een groot netwerk van Joodse agenten in Oost-Europa die, in strijd met de Amerikaanse wet, “hun best deden om de boel op te trommelen door zoveel mogelijk emigranten te lokken” [Nadell 1984: 56].) Het verslag schilderde de toestand van de toekomstige immigranten ook negatief af: “Het is momenteel overduidelijk dat zij abnormaal zijn, ook al ligt hun gebruikelijke standaard erg laag. Zes jaren oorlog en verwarring en honger en ziekte hebben hun lichamen uitgemergeld en hun mentaliteit verwrongen. De ouderen zijn duidelijk vervallen tot een lager niveau. De jongeren zijn opgegroeid zonder dat ze de tijd hebben gehad om zich rechtmatig te ontwikkelen. Vaak hebben ze de geperverteerde ideeën opgedaan die Europa sinds 1914 hebben overspoeld [waarschijnlijk is dit een verwijzing naar de radicale politieke ideeën die binnen deze groep veel voorkwamen; zie verder]” (Cong. Rec. 20 april 1921: 498).
Volgens het verslag had de pers in Warschau gemeld dat er “propagandistische activiteiten voor onbeperkte immigratie” werden gepland, waaronder feestelijkheden in New York die de bijdragen van immigranten aan de ontwikkeling van de Verenigde Staten moesten laten zien. De verslagen voor België (waarvan de emigranten oorspronkelijk uit Polen en Tsjechoslowakije kwamen) en Roemenië belichtten ook het belang van de Joden als toekomstige immigranten. In een reactie zei de afgevaardigde Isaac Siegel dat het verslag was “bewerkt en vervalst door bepaalde ambtenaren”; in zijn commentaar zei hij dat landen met grotere aantallen immigranten dan Polen niet in het verslag waren opgenomen. (Italië werd bijvoorbeeld niet in het verslag vermeld.) Zonder het expliciet te zeggen (“Ik laat het aan iedere man in het Huis van Afgevaardigden over om zijn eigen conclusies uit het verslag te trekken” [Cong. Rec., 20 april 1921: 504]), impliceerde hij dat de nadruk die het verslag op Polen legde, voortkwam uit antisemitisme.
Het meerderheidsrapport van het Huis van Afgevaardigden (dat door 15 van de 17 leden werd ondertekend; alleen de afgevaardigden Dickstein en Sabath tekenden niet) benadrukt ook hoe Joden de intellectuele strijd probeerden te vatten in termen van noordse superioriteit en “Amerikaanse idealen”. Zij deden dat terwijl de commissie voornamelijk geïnteresseerd was in het behoud van de etnische status quo:
De commissie meent dat het geschreeuw over discriminatie wordt geproduceerd en ontwikkeld door de afgevaardigden van bepaalde raciale groepen en daarbij worden gesteund door vreemdelingen die niet in de Verenigde Staten wonen. Leden van de commissie hebben een artikel in de Jewish Tribune (New York) van 8 februari 1924 opgemerkt dat gaat over een afscheidsdiner voor dhr. Israel Zangwill. In het artikel staat:
Meneer Zangwill sprak kort over de immigratiekwestie en hij verklaarde dat wanneer de Joden het onvermoeibare verzet tegen de immigratiebeperking zouden volhouden, er geen beperking zou komen. “Als u genoeg ophef maakt over die noordse onzin,” zei hij, “zult u deze wetgeving verslaan. U moet het gevecht aangaan met dit wetsvoorstel; vertel hun dat ze Amerikaanse idealen vernietigen. De meeste stellingen van de restrictionisten zijn van karton en als u er tegenaan duwt, prikt u er zo doorheen.”
De commissie is niet van mening dat de beperking die dit wetsvoorstel wil verwezenlijken tegen Joden is gericht, want zij kunnen binnen de quota’s immigreren vanuit ieder land waarin ze zijn geboren. De commissie geeft niet de voorkeur aan een “noordse” of een ander bepaald type immigrant, maar heeft vastgehouden aan het doel om een zware beperking te kunnen vastleggen. De quota’s zijn zo verdeeld dat de landen waaruit de meeste immigranten kwamen in de twee decennia voor de Wereldoorlog kunnen worden afgeremd, zodat de Verenigde Staten hun bevolkingsbalans kunnen herstellen. De aanhoudende aanklacht dat de commissie het “noordse” ras heeft verheerlijkt en de hoorzitting daarvoor is gebruikt, is een onderdeel van een nauwkeurig opgezette aanval, aangezien de commissie nooit iets dergelijks heeft gedaan. (House Rep. No. 350, 1924: 16)
Iemand die de debatten in het Congres in 1924 naleest, is inderdaad verbaasd over het feit dat de noordse raciale superioriteit maar sporadisch wordt aangehaald door de voorstanders van de wetgeving, terwijl vrijwel alle anti-restrictionisten de kwestie naar voren brachten.159 Na een opmerkelijk kleurrijke reactie tegen de theorie van noordse raciale superioriteit merkte de restrictionistische leider Albert Johnson op: “Namens de commissie zou ik heel graag willen zeggen, dat deze commissie gedurende de vermoeiende tijden van de hoorzittingen had besloten om de noordse kwestie of raciale aangelegenheden niet te bespreken” (Cong. Rec., 8 april 1924: 5911). Tijdens de hoorzittingen over het wetsvoorstel reageerde Johnson al eerder op het commentaar van rabbijn Stephen S. Wise, de vertegenwoordiger van het AJCongress, met de woorden: “Ik houd er niet van om steeds te worden afgeschilderd als iemand die uitgaat van raciale vooroordelen. Want ik heb de laatste elf jaar juist geprobeerd om mezelf van dergelijke vooroordelen te bevrijden, als ik die er überhaupt al op nahield.”160 Verschillende restrictionisten verwierpen de theorie van noordse superioriteit uitdrukkelijk, onder wie de senatoren Bruce (p. 5955) en Jones (p. 6614) en de afgevaardigden Bacon (p. 5902), Byrnes (p. 5653), Johnson (p. 5648), McLoed (pp. 5675-5676), McReynolds (p. 5855), Michener (p. 5909), Miller (p. 5883), Newton (p. 6240), Rosenbloom (p. 5851), Vaile (p. 5922), Vincent (p. 6266), White (p. 5898) en Wilson (p. 5671; alle verwijzingen naar Cong. Rec., april 1924).
Opmerkelijk genoeg zijn er aanwijzingen, dat afgevaardigden uit het westen van de Verenigde Staten tijdens het debat in het Congres bezorgd waren over de competentie van de Japanners en de competitieve dreiging die Japanse immigranten vormden. Hun retoriek wijst erop, dat zij de Japanners raciaal gelijkwaardig of superieur achtten, niet inferieur. Zo zei senator Jones bijvoorbeeld: “We geven toe dat [de Japanners] even capabel zijn als wij, dat ze even progressief zijn als wij, dat ze even eerlijk zijn als wij, dat ze even slim zijn als wij en dat ze op alle punten die een volk en een natie groots maken onze gelijken zijn” (Cong. Rec. 18 april 1924: 6614); afgevaardigde MacLafferty benadrukte de Japanse overheersing van bepaalde landbouwmarkten (Cong. Rec. 5 april 1924: 5681) en afgevaardigde Lea merkte op dat zij in staat waren om “hun Amerikaanse concurrent” te vervangen (Cong. Rec. 5 april 1924: 5697). Afgevaardigde Miller beschreef de Japanner als “een meedogenloze en onverslaanbare concurrent van ons volk op alle punten” (Cong. Rec. 8 april 1924: 5884); zie ook het commentaar van de afgevaardigden Gilbert (Cong. Rec. 12 april 1924: 6261), Raker (Cong. Rec. 8 april 1924: 5892) en Free (Cong. Rec. 8 april 1924: 5924 ff).
Terwijl de resource competition tussen Joden en niet-Joden niet naar voren kwam tijdens de debatten in het Congres, waren de quota’s op Joodse toelatingen tot de prestigieuze Ivy League universiteiten in dezelfde periode een uiterst gevoelige kwestie. De Joodse media schonken bijzonder veel aandacht aan die quotering en vooral aan de activiteiten van Joodse zelfverdedigingsorganisaties zoals de ADL (zie, e.g., de verklaring van de ADL in The American Hebrew 29 september 1922: 536). Sommige volksvertegenwoordigers zullen de resource competition tussen Joden en niet-Joden misschien in het achterhoofd hebben gehad. Rector A. Lawrence Lowell van de Harvard-universiteit was zelfs nationaal vice-president van de Immigration Restriction League en hij was een voorstander van de quota’s op Joodse toelatingen tot Harvard (Symott 1986: 238). Lowells houding wijst er op dat tenminste enkele belangrijke restrictionisten zich bezig hielden met de resource competition met een intellectueel superieure Joodse groep.
Waarschijnlijk kwam anti-Joodse vijandigheid vanwege de resource competition veelvuldig voor. Higham (1984: 141) schrijft over “de aanhoudende druk die de Joden, als een uitzonderlijk ambitieus immigrantenvolk, op sommige overbevolkte sporten van de sociale ladder uitoefenden” (Higham 1984: 141). Al in de negentiende eeuw bestond er in patriciërskringen behoorlijk wat heimelijk en openlijk antisemitisme, dat werd veroorzaakt door de bijzonder snelle opwaartse mobiliteit van de Joden en hun competitiedrang. Vlak voor de Eerste Wereldoorlog reageerde de niet-Joodse machtsstructuur door sociale registers op te stellen en door nadruk te leggen op de genealogie. Die reacties vormden mechanismen voor uitsluiting – “criteria waaraan niet alleen met geld kon worden voldaan” (Higham 1984: 104 ff, 127). In diezelfde periode beschreef Edward A. Ross (1914: 164) de verbolgenheid van de niet-Jood, omdat hij “gedwongen [was] deel te nemen aan een vernederend en oneerbiedwaardig gevecht om zijn handel of zijn klanten tegen de Joodse invaller te beschermen.” Die opmerking veronderstelt dat er een behoorlijk grote bezorgheid bestond over de Joodse economische competitie. Gedurende de jaren twintig werden er steeds meer pogingen ondernomen om Joden op een groot aantal gebieden uit te sluiten en die tendens bereikte zijn hoogtepunt tijdens de moeilijke economische situatie gedurende de Grote Depressie (Higham 1984: 131 ff).
Tijdens de debatten in het Congres in 1924 kwam de bezorgdheid over de resource competition tussen Joden en niet-Joden echter nauwelijks ter sprake. Ook de bezorgdheid dat de Joodse immigranten waren vervreemd van de Amerikaanse culturele tradities en dat ze de een destructieve invloed aan de dag legden, kwam vrijwel niet naar voren. Het enige commentaar hierover dat ik heb kunnen vinden zijn de volgende woorden van afgevaardigde Wefald:
Ik bijvoorbeeld, ben niet bang voor de radicale ideeën die sommigen met zich zouden kunnen meebrengen. Ideeën kun je sowieso niet buiten de deur houden. In veel gevallen is het leiderschap van ons intellectuele leven echter in de handen gevallen van deze sluwe nieuwkomers. Zij kennen geen genegenheid voor onze oude Amerikaanse idealen, noch voor die van Noord-Europa. Zij sporen onze zwakheden op en buiten ze uit en ze worden rijk door de slechte diensten die ze ons bewijzen.
Onze hele amusementsindustrie is overgenomen door mannen die hierheen kwamen met de immigratiegolf uit Zuid- en Oost-Europa. Zij produceren onze vreselijke films, zij componeren onze jazzmuziek en lepelen haar voor ons op, zij schrijven veel van de boeken die wij lezen en zij geven onze tijdschriften en kranten uit. (Cong. Rec. 12 april 1924: 6272)
Tijdens het immigratiedebat bespraken de Joodse media ook Thorsten Veblens beroemde essay ‘The intellectual pre-eminence of Jews in modern Europe’ (in delen gepubliceerd in The American Hebrew vanaf 10 september 1920). The American Hebrew schreef in een redactioneel commentaar op 13 juli 1923 (p. 177), dat in Louis Termans onderzoek naar hoogbegaafde kinderen disproportioneel veel hoogbegaafden van Joodse afkomst bleken te zijn. In het commentaar stond dat “dit feit moet leiden tot verbitterde, maar vergeefse, bedenkingen onder de zogenaamde noordsen.” In het commentaar stond ook dat disproportioneel veel Joden een studiebeurs hadden gewonnen bij competities die door de staat New York waren gesponsord. Het redactioneel commentaar merkte venijnig op dat “de noordsen misschien te trots zijn om mee te doen aan die competities. De namenlijst die door het staatsministerie van Onderwijs in Albany zojuist bekend is gemaakt, is in ieder geval allerminst noords; de lijst lijkt eerder op de ledenlijst van een synagoge.”
Er bestaat in feite bewijs dat Joden, net als Oost-Aziaten, een hoger IQ hebben dan blanken (Lynn 1987; Rushton 1995; PTSDA: hoofdstuk 7). Terman was inderdaad tot de conclusie gekomen dat Chinezen een even hoog IQ hadden als blanken. De bevindingen van Terman vormen nog meer bewijsmateriaal dat “hun IQ-scores geen excuus konden zijn om hen te discrimineren” (Degler 1991: 52) met de wet van 1924. Zoals eerder is aangegeven, wijzen de debatten in het Congres er op dat de uitsluiting van Aziaten tenminste gedeeltelijk voortkwam uit de angst voor competitie met een uiterst getalenteerde, intelligente groep en niet uit gevoelens van raciale superioriteit.
Volgens de voorstanders van de wet moesten de quota’s de relatieve etnische samenstelling van het hele land weerspiegelen, omdat dat het eerlijkst was voor alle etnische groepen. Dat argument werd door de voorstanders het meest gebruikt en het komt ook terug in het meerderheidsrapport. De restrictionisten merkten op dat de volkstelling van 1890 was gekozen, omdat de percentages allochtonen van verschillende etnische groepen in dat jaar bijna overeenkwamen met de algemene etnische samenstelling van de VS in 1920. Senator Reed van Pennsylvania en afgevaardigde Rogers uit Massachusetts stelden voor om hetzelfde resultaat te bereiken door alle quota’s direct te baseren op de nationale origine van alle mensen in het land, zoals die was vastgelegd in de volkstelling van 1920. Dat voorstel werd uiteindelijk vastgelegd in de wet. Afgevaardigde Rogers zei: “Heren, u kunt het niet oneens zijn met dit voorstel, omdat het eerlijk is. Het discrimineert niemand op positieve of op negatieve wijze” (Cong. Rec. 8 april 1924: 5847). Senator Reed verklaarde: “Volgens mij willen de meesten van ons het quotasysteem veranderen om diegenen die hier zijn geboren en onze groep nieuwe burgers uit Noord- en West-Europa niet langer te discrimineren. Ik geloof dat het huidige systeem juist discrimineert ten gunste van Zuidoost-Europa” (Cong. Rec. 16 april 1924: 6457) (i.e., omdat volgens de wet van 1921 46 procent van de quota was toegewezen aan Oost- en Zuid-Europa, terwijl minder dan 12 procent van de bevolking daar vandaan kwam).
Veel volksvertegenwoordigers steunden het wetsvoorstel, omdat ze het legitieme etnische belang van de autochtone Amerikanen wilden verdedigen door de etnische status quo te handhaven, zonder daarbij uit te gaan van raciale superioriteit. Een mooi voorbeeld daarvan is de volgende verklaring van afgevaardigde William N. Vaile van Colorado, een van de belangrijkste restrictionisten:
Ik benadruk dat de restrictionisten in het Congres niet beweren dat het “noordse” of zelfs het angelsaksische ras het beste ras ter wereld is. Laten we in alle eerlijkheid toegeven dat de Tsjech een hardere werker is, met een bijzonder laag criminaliteits- en krankzinnigheidspercentage, dat de Jood de beste zakenman ter wereld is en dat de Italiaan een spirituele beheersing en een artistieke gevoeligheid bezit, die de wereld – en inderdaad ook de Verenigde Staten – in grote mate hebben verrijkt. De Italianen bezitten een spirituele verheffing en een creatieve gevoeligheid die de noordse mens maar zelden bezit. De noordse mens hoeft niet ijdel te zijn over zijn eigen verdiensten. Het betaamt hem beter om nederig te zijn. Wat we wel beweren is dat de Noord-Europeanen en met name de Angelsaksen dit land hebben opgebouwd. Zeker, de anderen hebben geholpen. Maar dat is dan ook alles. Zij kwamen naar dit land toe omdat het al een Angelsaksisch gemenebest was. Zij droegen er aan bij en vaak verrijkten zij het, maar zij hebben het land niet gemaakt en ze hebben het nog niet ingrijpend veranderd. We zijn vastbesloten dat zij dat in de toekomst ook niet zullen doen. Het is een goed land. Het is geschikt voor ons. En wat wij garanderen, is dat we het niet zullen uitleveren aan iemand anders of dat we andere mensen – wat hun verdiensten ook mogen zijn – zullen toestaan om er iets anders van te maken. Als er iets aan moet worden veranderd, dan zullen we het zelf doen. (Cong. Rec. 8 april 1924: 5922)
Het debat in het Huis van Afgevaardigden maakte ook duidelijk welke belangrijke rol Joodse volksvertegenwoordigers speelden in de strijd tegen het restrictionisme. Afgevaardigde Robison liet merken dat hij afgevaardigde Sabath als de leider van de anti-restrictionisten beschouwde. Zonder andere tegenstanders van de immigratiebeperking te vernoemen, zei hij ook dat met name de afgevaardigden Jacobstein, Celler en Perlman gekant waren tegen alle vormen van immigratiebeperking (Cong. Rec. 5 april 1924: 5666). Afgevaardigde Blanton klaagde over de moeilijkheid waarmee de restrictionistische wetgeving door het Congres werd goedgekeurd. Hij zei: “Volgens mij is minstens 65 procent van de leden van dit Huis voorstander om vijf jaar lang alle buitenlanders buiten te sluiten. Waarom maken we dan geen wet die dat mogelijk maakt? Heeft broeder Sabath soms zo’n enorme invloed op ons, dat hij ons voorstel tegenhoudt?” (Cong. Rec. 5 april 1924: 5685). Afgevaardigde Sabath antwoordde: “Daar kan best wel eens iets van waar zijn.” Daarnaast geeft het volgende commentaar van afgevaardigde Leavitt duidelijk weer dat, in de ogen van hun tegenstanders, de Joodse Congresleden een opvallende rol speelden in het immigratiedebat: